donderdag 20 februari 1997

DE ALLESBESLISSENDE FACTOR

n.a.v. Julius Schoeps (red.), Ein Volk von Mördern? Die Dokumentation zur Goldhagen-Kontroverse um die Rolle der Deutschen im Holocaust (1996).

in: De Morgen (Café des Arts), 20 februari 1997.

DE ALLESBESLISSENDE FACTOR? 

= kritieken op Goldhagen gebundeld =
 

Otto van de Haar

Weinig boeken hebben het afgelopen jaar zo veel weerklank gevonden als Hitlers gewillige beulen van de Amerikaanse politicoloog Daniel Goldhagen. Niet alleen in de Verenigde Staten van Noord-Amerika, Groot-Brittannië en de Lage Landen, maar vooral ook in het land dat verantwoordelijk was voor de judeocide in Europa. 

Binnen de kortste keren werd het holocaust-boek - een gepopulariseerde  versie van Goldhagens dissertatie uit 1992 - een bestseller. En Goldhagen zelf werd een fenomeen. Hij is tot zijn leedwezen zelfs omschreven als 'Camille Paglia van de holocaust'. Onlangs verscheen het boek ook in Franse vertaling.                        Om enige orde in de chaos van reacties op het boek te scheppen, heeft de Potsdammer hoogleraar nieuwste geschiedenis Julius Schoeps 33 recensies en commentaren samengebracht. Een goed initiatief want weinigen hebben nu eenmaal zowel de besprekingen uit The Washington PostNewsweekThe New York Times als die uit de Frankfurter Allgemeine Zeitung en Die Zeit op hun leestafel liggen. Ruim de helft van de bijdragen is van Duitse oorsprong, de rst is afkomstig uit de Angelsaksische wereld. Hoewel deze bundeling natuurlijk niet compleet is, geeft ze toch een behoorlijk inzicht in de verschillende visies.
Sommige auteurs, zoals Jerry Adler, Peter Glotz, Eberhardt Jäckel, Elie Wiesel en Ingrid Gilcher-Holtey bepaalden in enkele bladzijden hun standpunt. Christopher Browning, Josef Joffe, Ellen Coughlin en vooral Hans-Ulrich Wehler en Omar Bartov gebruikten daar veel meet voor ruimte voor. het artikel van Bartov, professor in de geschiedenis aan de universiteit van New Jersey, is 18 pagina's lang en verdient alleen al vanwege de heldere uiteenzetting over het holocaustdebat vanaf 1945 tot Goldhagen een aparte vermelding. Het bijna even lange stuk van Wehler, van de universiteit van Bielefeld, is indrukwekkend vanwege diens evenwichtige benadering. Wehlers eerste zin luidt: 'Er zijn zes goede redenen om ernstig op Daniel Goldhagens boek in te gaan, en evenveel om zijn verklaring van de holocaust scherp te bekritiseren'.

Hitlers gewillige beulen valt duidelijk uiteen in twee verschillende delen. Het eerste gaat over de algemene historische achtergrond van de holocaust. Een uiteenzetting die in de bundel op zijn best hoofdschuddend wordt afgedaan. Deel twee van het boek kan op aanzienlijk meer instemming rekening. De auteur zoekt daarin drie tot nu toe onderbelichte en zijn inziens onjuist geïnterpreteerde 'genocidale instellingen' van de dictatuur  van Hitler (Goldhagen  spreekt van een 'consensusdictatuur'): de politiebataljons, de dodenmarsen en de joodse werkkampen. Een flink deel van de 5 à 6 miljoen vermoorde Joden werd omgebracht door personeel dat werkzaam was bij deze instellingen. En dus niet in Auschwitz. Goldhagen laat zien dat dat de meerderheid van dit personeel niet bestond uit uit doorgewinterde SS'ers of zelfs maar lid was de NSDAP. Ook maakt hij duidelijk dat het aantal daders omvangrijker dan tot dusver werd verondersteld. Deze alarmerende feiten worden nog versterkt wanneer Goldhagen aantoont dat deze 'doorsnee-Duitsers'  vaak nodeloos wreed en bovendien vrijwillig te werk gingen. Waarom? De auteur analyseert nauwkeurig hun individuele drijfveren waarbij hij hun antisemitische denkstructuur dwingend blootlegt. De meeste van de door Schoeps bijeengebrachte recensenten zijn het er tot op zekere hoogte over eens dat Goldhagen met dit deel van zijn onderzoek, waarbij de 'gewone daders' en hun verantwoordelijkheid centraal staan, een zinvolle bijdrage heeft geleverd aan het holocaustonderzoek.

In het zeer omstreden eerste deel stelt Goldhagen zonder blikken of blozen dat de holocaust een 'typisch Duitse' onderneming was. Hij heeft deze bewering vereeuwigd in de formule 'geen Duitsers, geen holocaust.' Het 'eliminatoire antisemitisme' in Duitsland kon naar zijn zeggen bogen op een eeuwenlange geschiedenis die onontkoombaar uitmondde in wat de nazi's de Endlösung noemden. Dit antisemitisme was volgens Goldhagen 'de enige beslissende factor' die de holocaust teweegbracht. Nu bestaat er bij een aantal recensenten zeker begrip voor dat Goldhagen het virulente antisemitisme opnieuw heeft beklemtoond, gekoppeld als het was aan het concrete gedrag van menige beul.                                               Ulrich Herbert bijvoorbeeld, hoogleraar geschiedenis in Freiburg, schrijft dat naarmate onze kennis over de structuren van het nationaalsocialistische regime toenam, de daders en hun jodenhaat tot randverschijnsel werden. Zelfs Omar Bartov erkent in zijn verder zeer kritische bespreking dat het antisemitisme in hert recente mainstream-onderzoek te weinig aandacht kreeg. Goldhagen heeft echter deze factor tot 'allesbeslissend' bestempeld en dat wil er bij het gros der recensenten absoluut niet in.                                       Verder wordt Goldhagen er, weliswaar in verschillende toonaarden, op gewezen dat het moorddadige antisemitisme geen typisch Duits, maar een Europees verschijnsel was. Anders gezegd, een land als Frankrijk, Polen of Rusland was net zo goed (of zelfs beter) in staat geweest tot de judeocide. Goldhagens conclusie was veel minder extreem geweest als hij zich rekenschap had gegeven van algemeen erkende onderzoeksresultaten, stellen de recensenten. De onmiskenbare suggestie van Goldhagen ten slotte dat het 'antisemitisme' onvermijdelijk uit moest lopen op de holocaust wordt door veel commentatoren eveneens naar de prullenbak verwezen. Ze bieden verschillende illustraties van 'het andere Duitsland' in de geschiednis. Hoe verklaart hij bijvoorbeeld de bijna volledige wettelijke emancipatie van de joden in Duitsland in de 19de eeuw? Daniel Goldhagen walst op een onhistorische manier over deze en dergelijke gegevens heen. Hij lijkt slechts geïnteresseerd in de vaststelling dat die emancipatie de joodse catastrofe uiteindelijk niet heeft kunnen verhinderen. Zijn critici blijven er evenwel op hameren dat de weg naar de Endlösung vol kronkelingen zat en dat de holocaust niet een 'noodzakelijk' resultaat van de Duitse geschiedenis was. Het is niet ondenkbaar dat het tweede, best geslaagde deel van Goldhagen bestseller het eigenlijke dissertatieonderwerp was waarvoor hij in 1994 de felbegeerde Gabriel A. Almond Prize van de American Political Science Association kreeg. Wellicht wilde hij zijn op zichzelf prikkelende case-studies in een groot historisch kader plaatsen. Wat er ook van zij, had hij het bij het tweede deel gelaten dan was hem in ieder geval veel kritiek bespaard gebleven.

 

(Op 10 maart 1997 ontving Daniel Goldhagen de in Duitsland prestigieuze democratieprijs. Het is al zeven jaar geleden dat deze  prijs weer werd toegekend. De filosoof Jürgen Habermans sprak in  Bonn de laudatio uit. Goldhagen kreeg de prijs voor de 'uitzonderlijke kwaliteit en het morele gehalte van zijn werk, dat het geweten van de Duitse bevolking heeft wakker geschud (...). Hij heeft substantieel bijgedragen tot het begrip van de gemeenschap voor de achtergrond en de grenzen van Duitslands "normalisering"').

zaterdag 1 februari 1997

UIT DE BUIK VAN HET BEEST


n.a.v. Nicolas Werth en Gael Moullec, Rapport secrets soviétiques;
La société russe dans les documents confidentiels 1921-1991 (1994).

In: Tijdschrift voor Geschiedenis (nr.1) februari 1997.

Otto van de Haar

UIT DE BUIK VAN HET BEEST


 

Tot de meer originele boeken die de laatste tijd over de Sovjetperiode in de Russische geschiedenis op de markt zijn gebracht behoort dat van de historici Nicolas Werth en Gaël Moullec. Eerstgenoemde publiceerde al vaker over de Sovjet-Unie, waaronder een studie over het dagelijks leven van de boeren tussen 1917 en 1929. Moullec voltooit op dit moment zijn dissertatie over het kader van de sovjet-communistische partij in de jaren dertig.


 
 

Recentelijk selecteerden beide vorsers uit verschillende stads-en regioarchieven van het oude communistische partij-en staatsapparaat in totaal driehonderdvijftig documenten. Vrijwel allemaal dragen ze het stempel 'strikt vertrouwelijk'. Ze zijn namelijk opgesteld door partijleden, kamphoofden en de politieke politie. Minutieus worden de reactie (of het gebrek eraan) op de overheidsdecreten in kaart gebracht om vervolgens doorgespeeld te worden aan de hoogste organen van hert land. Zodoende krijgt de lezer een 'niet-officiële' en dus vaak onthullende kijk op de partij-staat, de maatschappij en hun onderlinge relatie. Dat deze verzameling documenten een 'corpus cohérent' vormt, zoals op de omslag staat vermeld, gaat overigens wat ver.
Werth en Moullec hebben de geheime berichten thematisch ondergebracht in hoofdstukken met trefzekere titels als 'ordre et désordre', 'classes laborieuses - classes dangereuses', 'pouvoir et réligion' en 'l'autre monde'.
Uit deze andere wereld stamt een verslag van de kampchef uit Norielsk uit 1952 met een veelzeggende passage. Hij meldt aan zijn superieuren van de Goelag, het Sovjet strafsysteem, dat in zijn kamp het sterftecijfer van de gedetineerden lager ligt dan dat geautoriseerd door het centrale Plan: 5,2% tegen 8,4%. Een opgediept rapport uit 1932 stemt eveneens tot nadenken. Het is gericht aan de Centrale Controlecommissie en gaat in op de situatie van gedeporteerde gezinnen in Magnitogorsk. Met boekhoudkundige precisie wordt gesteld dat in de laatste drie maanden van het voorafgaande jaar 775 kinderen zijn gestorven: '0-3 jaar: 591 kinderen  3-8 jaar: 174 kinderen   8-14 jaar: 10 kinderen'. In percentages: 80%.
In de periode Chroesjtsjov (1954-1964) werd het merendeel van de kampen ontmanteld. Werth en Moullec onderstrepen overigens dat dit besluit voornamelijk voortvloeide uit het besef dat de kampen in economisch opzicht - door onvoldoende investeringen - een blok aan het Sovjetbeen waren geworden. En dus zeker niet op de eerste plaats voortkwam uit politiek-morele motieven. Daarbij kwam nog iets. Begin jaren vijftig liep de situatie binnen de kampen ernstig uit de hand aangezien rivaliserende etnische bendes hun kamplot, aldus verschillende alarmerende rapportages, in eigen hand dreigden te nemen. Typerend voor de wanordelijke situatie in het land waren eveneens grootscheepse ontvluchtingen uit de kampen en koloniën, om van de massale migratie van werkzoekenden in het land maar te zwijgen. 
Niet alleen staatsterreur en chaos echter waren volgens de schrijvers kenmerken uit de Stalintijd. Ook vond er - meestal passief - verzet plaats. Daarvan getuigen onder andere twee documenten uit 1939 die de heftig verontwaardigde reacties van werknemers uit Moskou op de beruchte arbeidswet van 28 december 1938 tot onderwerp hebben.
Werth en Moullec hebben naast het presenteren, introduceren, becommentariëren en annoteren van zeventig jaar 'inside information' nog een ambitie. Op grond van hun onderzoek bepleiten ze in hun inleiding een 'theoretisch' compromis tussen de zogenaamde totalitaristische en revisionistische school, die naar bekend lijnrecht tegenover elkaar staan. Zij benadrukken dat de verdienste van de totalitaristen is gelegen in het onderlijnen van de fysieke Terreur van het regime. Dit aspect wordt door revisionisten nogal eens onderschat. Daar staat echter tegenover dat het totalitaristische credo van een perfect draaiende en almachtige partijmachine volgens Werth en Moullec veel minder met de realiteit uitstaande had. Alleen al de geografische omvang van het Sovjetrijk zet een dergelijke gedachtegang op losse schroeven. De revisionisten van hun kant hadden veel meer oog voor het dysfunctioneren van de partij-en staatsbureacratie en toonden in het verlengde hiervan ook aan dat de bevolking veel minder geatomiseerd was dan lange tijd van totalitaristische zijde voor waar werd gehouden. Vooral de documenten over de niet aflatende rol van de religie in dezen spreken duidelijke taal.
De incoherentie van het boek ligt in het feit dat een, zij het beperkt, aantal documenten - hoe interessant en publicabel op zichzelf ook - weinig te maken heeft met de door Werth en Moullec aannemelijk gemaakte noodzaak tot een vergelijk. Deze onevenwichtigheid heeft uiteraard alles te maken met het ontbreken van een heldere prioriteitstelling: òf we beperken ons tot het publiceren van gevarieerde documenten als spiegel van de sovjetmaatschappij. Dat is tenslotte ook waar de ondertitel op duidt; òf we leggen het accent op het noodzakelijk geachte 'theoretische' vergelijk. Ondanks deze onevenwichtigheid biedt het boek, door een originele keuze van de documenten, een verrassende blik in de buik van het monster.


donderdag 2 januari 1997

'VERNIETIG DE CHINESE GOELAG'

 

n.a.v. Harry Wu, Troublemaker (1996).

in: Grenzeloos (december 1996 / januari 1997) 

Otto van de Haar

Twee jaar gelden zette de Chinese dissident Harry Wu zijn fameuze herinneringen aan het kampleven in de Volksrepubliek op papier. Dit boek Bitter kou - 19 jaar in de Chinese Goelag was niet alleen een terugblik. Wu keek ook naar het China van nu en stelde zonder omhaal: 'Ik zal bewijzen dat er nog miljoenen mensen in deze verschrikkelijke kampen worden vastgehouden, dat de meeste van hen zijn vergeten en dat hun ervaringen en emoties onbeschrijflijk zijn'. Hij hield woord. In het zojuist verschenen Troublemaker geeft Wu een pakkend overzicht van zijn inspanningen voorde Chinese dwangarbeiders.

Harry Wu is sinds 1985 woonachtig in de Verenigde Staten. Hij houdt talloze lezingen - onlangs nog speechte hij voor een volle zaal in Universiteit van Amsterdam. Daarnaast richtte hij in 1992 de Lao Gai Research Foundation op. Lao Gai staat voor 'hervorming door arbeid', de officiële naam van de Chinese werkkampen. Harry Wu roept niet alleen de Chinese autoriteiten ter verantwoording, maar ook de westerse bedrijven die o zo lucratieve contacten onderhouden met het Lao Gai systeem. Miljoenen dwangarbeiders (waarvan een minderheid politiek) produceren in meer dan duizend kampen voor de internationale markt: kunstbloemen, thee, machine-onderdelen...Vaak vrijwel kosteloos, en onder miserabele omstandigheden. Zo maken ze soms werkdagen van 14 uur. Ook de oppermachtige Wereldbank, met haar enorme financiële steun aan onder andere irrigatie- en landbouwprojecten in de provincie Xinjiang (in het westen van China), het hart van de Chinese Goelag, kan rekenen op felle kritiek van Wu. De populaire prognose dat de ontwikkeling van kapitalisme en vrije markt in China vanzelf tot politieke vrijheid en democratie zal leiden, wil er bij Harry Wu niet in. Het voortbestaan van het wrede Lao Gai systeem, de onvoorstelbare aantallen veiligheidsagenten in her land en de slachtpartij op het Plein van de Hemelse Vrede zijn er de meest schrijnende ontkenning van.

In zijn nieuwste boek schrijft Wu: 'In de geschiedenis zijn talrijke voorbeelden aan te wijzen waarin de Verenigde Staten dictators blijven steunen die al lang het vertrouwen van hun onderdanen hadden verloren'. De door Amerika aan China verleende status van meestbegunstigde handelspartner is hem dan ook een doorn in het oog. Hij richt zich ook met klem tot de Atlantische wereld om een een terughoudender beleid tegenover de Volksrepubliek in acht te nemen. De kern van Troublemaker bestaat uit een levendige beschrijving van Wu's onderzoeksreizen door China in 1991, 1992 en 1994. met vrijwel elk denkbaar vervoermiddel doorkruiste hij het land en wist hij, zich voordoend als toerist of antropoloog, door te dringen tot de Chinse Goelag. met een verborgen camera maakte hij opnames van de gedetineerden en hun miserabele omstandigheden. Eenmaal deed hij zich voor als een Amerikaans zakenman en lukte het hem zelfs een 'belangrijk handelscontract' af te sluiten met de directie van een Lao Gai kamp. Na een bezoek aan een Chinees ziekenhuis in 1994 toonde hij aan dat er organen van ter dood veroordeelde gevangenen worden  gebruikt voor transplantatie. Hierbij zou de executiedatum afhenkelijk zijn van de vraag naar organen. Via CBS, BBC en Nova bereikten zijn documentaires miljoenen kijkers. Vorig jaar probeerde lastpost Wu opnieuw China binnen te komen. Bij de grens met Kazachstan werd hij echter aangehouden. Ma rtwee maanden vol onzekerheid werd hij veroordeeld tot 15 jaar cel. Onder druk van een internationale campagne en geholpen door zijn Amerikaanse paspoort werd hij gelukkig direct na zijn veroordeling op het vliegtuig naar de Verenigde Staten gezet. Aan zijn reizen naar China is dus voorlopig een einde gekomen. Maar zijn toespraken en zijn onderzoekswerk voor de Lao Gai Research Foundation gaan onverminderd door. De recente gebeurtenissen in China geven daartoe alle aanleiding.













zondag 8 september 1996

HOE FOUT WAS DE DOORSNEE-DUITSER?

n.a.v. de discussie over Goldhagens boek Hitlers willige Vollstrecker. ARD, 23.10 - 23.55 uur.

in: VPRO gids, 8 september 1996.

Otto van de Haar

Het boek van de Amerikaanse politicoloog en wetenschappelijk medewerker aan de Harvard-universiteit Daniel Goldhagen blijft de gemoederen verhitten....

dinsdag 16 juli 1996

HITLER GEEN 'KOFFERDRAGER' HOLOCAUST

n.a.v. Saul Friedländer, Nazi Germany and the Jews. The Years of Persecution, 1933-1939 (dl. 1) (1997)

Otto van de Haar
 
In: Reformatorisch Dagblad, 16 juli 1996.

Hitler niet beschouwen als 'kofferdrager' van de holocaust 

Saul Friedländer beschrijft alledaagse leven van de joden in nazi-Duitsland:

De hoeveelheid publicaties over Hitlers Derde Rijk is overstelpend. Wat bracht de uit het vooroorlogse Tsjechoslowakije afkomstige historicus Saul Friedländer ertoe om deze gigantische productie verder uit te breiden? In zijn nieuwste boek, "Nazi Germany and the Jews", geeft hij op deze vraag een helder antwoord.

Friedländer heeft kritiek op die historici die slechts oog hebben gehad voor de nazi-bureaucratie. In deze visie zou de bureaucratie de werkelijke motor van de holocaust zijn geweest. In een interview uit 1996 met het Duitse blad Focus zei hij hierover: "Het holocaust-onderzoek van de laatste tien jaar heeft zich op abstracte structuren gericht, op de systematiek en de organisatie van de politiek van jodenvernietiging in de nazi-tijd. De mensen van vlees en bloed, de concrete handelingen en situaties, werden verwaarloosd".

Op dit punt heeft Friedländers aanpak raakvlakken met de vorig jaar verschenen bestseller "Hitlers gewillige beulen" van de Amerikaanse historicus Daniel Goldhagen, waarin de daders en slachtoffers ook op de voet werden gevolgd en niet vanaf een toren. Maar Friedländer neemt ook geen genoegen met publicaties die zich uitsluitend concentreren op het leed van de slachtoffers.

Naast elkaar

Het nieuwe aan "Nazi-Germany and the Jews" is dat het steeds de posities van de nazi's en de joden naast elkaar legt. Niet als levenloze categorieën, maar als denkende en handelende wezens. De auteur vertelt bijvoorbeeld hoe op 10 oktober 1938, tijdens de Reichskristallnacht, de 81-jarige joodse weduwe Susannah Stern door enkele fanatieke nazi's met pistoolschoten om het leven wordt gebracht in haar eigen huis. Hoe zij in elkaar zakt op de sofa, de handen naar haar borst brengt, vervolgens op de grond valt, en sterft.

Tegelijkertijd laat hij de achtergrond van deze en dergelijke gebeurtenissen zien doordat hij nauwkeurig de manipulaties van mensen als Hitler, Goebbels en Göring inventariseert.

Friedländer hierover in de inleiding van zijn boek: "De voorliggende studie is een poging om een verhaal te schrijven waarin het nazi-beleid het eigenlijke centrale element is, maar waarin de omringende wereld en de houding, de reacties en het lot van de slachtoffers niet minder een integraal deel vormen". In elk van de tien hoofdstukken biedt de auteur op invoelende wijze schetsen van het alledaagse leven ("Alltagsgeschichte") van de joden in nazi-Duitsland. Persoonlijke geschiedenissen vol angsten en vernederingen.

Risico

Loopt de geëngageerde historicus op deze manier niet het risico dat de vereiste objectiviteit in het gedrang komt? Jawel, zegt hij, maar dit gevaar kan worden bestreden door je er voldoende van bewust te zijn. De historicus van de holocaust met een al te afstandelijke blik is overigens ook niet gevrijwaard van risico's. Een ervan is, meent Friedländer terecht, een "ongepaste terughoudendheid".

Minutieus doet Friedländer verslag van het voortschrijdende segregatiebeleid van de nationaal-socialisten en hoe dit ingreep in het sociaal-politieke, economische en biologische leven van de joden en uiteindelijk ook in dat van de 'halfjoden' en de 'kwartjoden', de zogenoemde Mischlinge.

De nazi's slaagden er steeds in het grotendeels door hen zelf aangezwengelde antisemitisme in 'wettelijke' banen te leiden. Zodoende kreeg de stroom van anti-joodse maatregelen de schone schijn van legaliteit. Saul Friedländer werkt de problematiek van het begrip 'wettigheid' onder een dictatuur niet uit. Dit is jammer omdat deze 'wettigheid' voor veel burgers een dilemma inhield.

Kofferdrager

Sommige historici gaan ervan uit dat het Derde Rijk ontaardde in een stuurloos en chaotisch proces, dit vanwege felle onderlinge machtsstrijd tussen partij- en staatsinstellingen en als gevolg van het ineenstortende Oostfront.

De "Endlösung" is in deze optiek een uit de hand gelopen bijproduct van het nationaal-socialisme. Hierbij is de persoonlijke rol van Adolf Hitler teruggebracht tot die van de 'kofferdrager' van de holocaust. Ook deze benadering wijst Friedländer van de hand: "In al zijn voornaamste beslissingen was het regime afhankelijk van Hitler".

Hij staaft deze bewering door uitgebreid gebruik te maken van de pas in 1992 gepubliceerde gedeelten van de dagboeken van dr. Joseph Goebbels. Hieruit blijkt zonneklaar dat Hitler voor wat de jodenvervolging betreft in de jaren dertig steeds de cruciale opdrachten gaf, dan wel bevestigde. In het openbaar hield hij zich om tactische redenen -onder meer in verband met de verontwaardiging van de publieke opinie in het buitenland- op de vlakte.

Hitlers dubbele gezicht komt helder naar voren in Friedländers beschrijving van de al genoemde Reichskristallnacht (november 1938). Terwijl hij in wezen de doorslaggevende factor was bij deze pogrom, die 91 joden het leven kostte, deed Hitler het in het openbaar liever voorkomen alsof deze werd veroorzaakt door 'spontane' volkswoede. Ook iemand als Hermann Göring handelde steeds in nauw overleg met de Führer.

Versus Goldhagen

In hoeverre was de Duitse bevolking geïnfecteerd met het antisemitisme? Deze geladen kwestie behandelt Friedländer heel anders dan Daniel Goldhagen. De geestdriftige Harvard-professor stelde in zijn boek "Hitlers gewillige beulen" dat de overgrote meerderheid van de Duitsers ten minste vanaf de 19e eeuw bezield was met een op eliminatie gericht antisemitisme. Met deze uitspraak ontketende hij een storm van verontwaardiging aangezien hiermee een cruciale verbinding werd gelegd tussen de gewone Duitsers en de moord op zes miljoen joden. Friedländer komt tot een veel genuanceerder oordeel en wijst Goldhagens bevindingen subtiel af: "Een interpretatie van de gebeurtenissen die in de Duitse maatschappij als geheel, gedurende de moderne periode, uitgaat van een wijdverbreide aanwezigheid van een "eliminatie-antisemitisme", dat smachtte naar de fysieke vernietiging van de joden, is op grond van het in deze studie gepresenteerde materiaal niet overtuigend".

Boycot sloeg niet aan

Friedländer laat bijvoorbeeld zien dat de door het nazi-regime afgekondigde economische boycot, die vanaf april 1933 van kracht werd, niet bepaald aansloeg. Over de "Rijkspogrom" waren de 'gewone' Duitsers ook al niet enthousiast en zij gaven blijk van afkeer ten opzichte van het nazi-geweld. De Duitse bevolking gaf volgens Friedländer -in tegenstelling tot de culturele, kerkelijke en universitaire elite- het anti-joodse issue geen werkelijke prioriteit. Op grond van interne nazi-rapporten toont hij aan dat de doorsnee Duitser (en soms zelfs leden van de NSDAP!), ondanks de dwang van het regime, verboden contacten met de joden bleef onderhouden. Zoals het handeldrijven met joodse veehandelaren, het gebruikmaken van hotels en winkels die in handen waren van joden en het bezoeken van joodse artsen. De meerderheid van de gewone Duitsers drong in de jaren dertig aan op emigratie noch op eliminatie van de joden. Friedländer tekent hierbij overigens wel aan dat er van een principieel verzet tegen het antisemitisme onder Hitler amper sprake was. Over de vraag of dit wel had gemoeten of wel had gekund, doet hij als historicus geen uitspraak.

Gevonden

Enkele van de hier genoemde bezwaren van Saul Friedländer tegen de bestaande holocaust-geschiedschrijving zijn niet van vandaag of gisteren. Vijf jaar geleden al schreef hij in zijn bundel "Memory, history and the extermination of the Jews" dat er nog steeds geen werkelijk geïntegreerde geschiedschrijving voor handen was over de (voorgeschiedenis van de) holoc aust. "De "Endlösung"", schreef hij toen, "heeft haar historicus nog niet gevonden".

Of we die vandaag wel gevonden hebben, kan na lezing van het eerste deel van zijn boek -dat handelt over de jaren dertig- nog niet beantwoord worden. Maar dat Friedländer hoge ogen gooit, staat vast.


maandag 1 januari 1996

Tocqueville en terreur

Alexis de Tocqueville staat te boek als een groot liberaal en een vrijheidslievende democraat. Dat hij zich ook sterk maakte voor terreur, is jammer genoeg minder bekend. Hoe men het liberalisme van Tocqueville ook beoordeelt, diens opvattingen inzake terreur kunnen daar - op straffe van mythevorming - niet van ontkoppeld worden.

In: Liberaal Reveil 1996

zaterdag 25 november 1995

HANNAH ARENDT: EEN PASSIE VOOR VRIJHEID

Hannah Arendt - Een passie voor vrijheid

Woensdagavond herhaalt het ZDF een interview dat Günter Gaus 20 jaar geleden had met Hannah Arendt. De interviewer was na afloop diep onder de indruk. Zoiets had hij 'in weitem Abstand' niet eerder beleefd.

in: VPRO-gids, 25 november-1 december 1995.

Otto van de Haar

Afbeeldingsresultaat voor hannah Arendt

In 1964 interviewde Günter Gaus voor het ZDF de toen 58-jarige Duits-joodse publiciste Hannah Arendt. Ze vertelde - een beetje nerveus nog vanwege het nieuwe medium - over haar jeugd in Duitsland, de vroege dood van haar vader en haar studie bij invloedrijke filosofen als Karl Jaspers en Martin Heidegger. Ze was een uitzonderlijk begaafde studente, promoveerde op 23-jarige leeftijd bij Jaspers en verkeerde al spoedig op vertrouwde voet met haar docenten. met Heidegger had ze in de jaren twintig zelfs een vlammende liefdesrelatie. Tijdens het gesprek met Gaus bracht Hannah Arendt ook haar persoonlijke ervaringen als jodin in Duitsland  in het midden. En haar vriendschap met de Duitse zionistenleider Kurt Blumenfeld.

Kort na de machtsovername van Hitler in 1933, terwijl Heidegger het nieuwe bewind de hand reikte en Jaspers de voorkeur gaf aan de 'innere Emigration', week hun leerlinge uit naar Frankrijk, waar ze trouwde met eveneens uit Duitsland gevluchte communist Heinrich Blücher. In Frankrijk spande zij zich in om joodse vluchtelingen voor te bereiden op een leven in Palestina. Een fervente zioniste is ze echter nooit geweest. Al bij de stichting van de staat Israël in 1948 wees op de noodzaak van een bi-nationale staatsvorm, met gelijkberechtiging voor palestijnen en joden. Een dergelijk standpunt was uitzonderlijk in die tijd en getuigde van een scherpe, vooruitziende blik.

Toen Frankrijk door het Duitse leger werd bezet, vertrok Arendt voorgoed naar de Verenigde Straten. Daar bracht ze het, na een moeilijke tijd als immigrant, tot professor in de politieke wetenschappen in Chicago en New York. Daar zette zich ook aan het schrijven van haar belangrijkste boek The origins of totalitarianism (1951), dat haar in één klap beroemd zou maken. 'Niet eerder' schreef Arendt-kenner Maarten van Rossum, 'waren nazi-Duitsland en de Sovjet-Unie op deze schaal en met deze intensiteit onder dezelfde noemer (totalitarisme) gebracht'. Later volgden, naast filosofisch werk, nog publicaties als On Revolution en On Violence en niet te vergeten haar geruchtmakende Eichmann in Jerusalem; a report on the banality of evil over het politieke proces tegen oud-nazi Adolf Eichmann, in 1961. Ze leverde hierin principiële kritiek op de rechtsgang en stelde dat Eichmann eerder een conformistische, 'banale' functionaris was dan het monsterlijke brein dat Israël met alle geweld in hem wenste te zien. Bovendien verweet zij de Joodse raden hun samenwerking met de nazi's. Internationale joodse organisaties, ook in Nederland, reageerden met diepe verontwaardiging. Haar beschuldiging was ongenuanceerd en ongevoelig geweest. De affaire kostte haar nogal wat vrienden, onder wie tot haar grote spijt Kurt Blumenfeld. Anderen schaarden zich achter zoals de schrijfster Mary McCarthy, Karl Jaspers en de joodse politocoloog Raul Hilberg. Vlak voor het interview van Gaus, eind 1964 werd Arendts boek in de Bondsrepubliek gepubliceerd. Logisch dat Gaus er nogal op doorvroeg.

Vanuit Amerika bezocht ze regelmatig het naoorlogse Europa. Ook de Bondsrepubliek, die onder leiding van Konrad Adenauer aan een verbluffende economische comeback bezig was. Ze kwam voor lezingen in tot de nok gevulde collegezalen, voor interviews of voor studiedoeleinden. Maar af en toe bracht ze een persoonlijk bezoek aan oude bekenden. Zoals aan Karl Jaspers, die verhuisd was naar het Zwitserse Basel en die ze als 'de beste leermeester aller tijden' beschouwde. Met hem voerde ze vanuit de Verenigde Staten tientallen jaren een levendige briefwisseling, waarin ze de grote naoorlogse gebeurtenissen de revue lieten passeren. Ook Martin Heidegger bezocht ze. Het blijft natuurlijk een fascinerende paradox dat Hannah Arendt, als jodin, met de kennis die ze bezat over Heideggers sympathie voor Hitler, hem na de oorlog altijd de hand boven het hoofd heeft gehouden. Hoe moeilijk dat ook voor haar was. Ze weigerde steevast 'de persoonlijke Heidegger' op te offeren aan 'de publieke Heidegger'. Het weinige dat ze over diens omstreden optreden kwijt wilde was dat ook de Griekse filosoof Plato 'soft on dictators' was geweest. Ze bleef haar leven lang in de ban van hem. Heideggers gevoelens voor haar nauwelijks minder heftig. In de prachtige standaardbiogafie Hannah Arendt; for love of the world van Elisabeth Young-Bruehl, een studente van haar, wordt verteld dat Heidegger het presteerde om in het bijzijn van zijn eigen vrouw, Hannah Arendt 'de passie van mijn leven' te noemen en de inspiratie van zijn werk; hoewel Heidegger beduidend meer voor zijn 'wettig echtgenote' - een fanatieke nationaal-socialiste - voelde dan Arendt lief was. Tot aan haar dood in 1975 bleven ze contact houden.

In  het bewuste interview legt Gaus aan Hannah Arendt de vraag voor of '1933' een breuk in haar leven betekend. 'Nee', zei ze. Die breuk kwam voor haar pas tien jaar later, toen zij in Amerika het catastrofale nieuws te horen kreeg over de Duitse vernietigingskampen. Haar man Heinrich Blücher had haar nog op het hart gedrukt dat zoiets militair gesproken onmogelijk, irrationeel was. Maar ook hij moest zich neerleggen bij het feit dat Hitler niet één oorlog had gevoerd, maar twee. Veel van Arendts latere werk is doortrokken van deze dramatische ervaring. In haar boek The origins of totalitarianism legde ze in pakkende stijl de elementen bloot waaruit volgens haar het nazi-totalitarisme gekristalliseerd was: antisemitisme, imperialisme en racisme. Ze vond deze verschijnselen in de 'afvalbak' van de westerse 19de-eeuwse maatschappij.

Hannah Arendt hekelde even indringend het bestaan van communistische concentratiekampen onder Stalin. tegenwoordig is de parallel tussen regimes van Hitler en Stalin nog amper omstreden, maar in de jaren vijftig was voor menigeen de vergelijking een groot taboe. Het communisme had volgens Arendt steeds verzuimd om het vrijheidsbegrip wettelijk te funderen. Zaken als machtsdeling en federalisme zag zij wel gerealiseerd in de Amerikaanse revolutie. Ze vond het dan ook jammer dat de 'onvrije' Russische en niet de 'vrije' Amerikaanse revolutie zoveel invloed had gehad op het wereldgebeuren. De recente ontwikkelingen in China en Midden-Europa zouden Hannah Arendt dan ook zeker welkom zijn geweest. Toen in 1956 in het communistische Hongarije verrassend een anti-totalitaire  opstand uitbrak, waarbij spontane 'burger-initiatieven' ontstonden, was ze laaiend enthousiast. Ze beoordeelde dit als 'een overwinning voor de vrijheid', ondanks de de nederlaag van de opstandelingen. 

Naarmate ze ouder werd kreeg Hannah Arendt steeds meer academische lauweren aangereikt, maar werkelijk geïntegreerd in het westerse establishment raakte ze nooit. Misschien was haar werk daarvoor te tegendraads. Ondanks haar grote bewondering voor de Amerikaanse Revolutie had ze een scherp oog voor de uitwassen van de Nieuwe Wereld. De heksenjacht tegen links ten tijde van McCarthy verafschuwde. evenals het schandelijke beleid in Vietnam. Hannah Arendt waarschuwde ook voor andersoortige totalitaire dreigingen in het westen, zoals de kunstmatig gestimuleerde consumptieverslaving. Ze had tenslotte een passie voor vrijheid.