zaterdag 25 november 1995

HANNAH ARENDT: EEN PASSIE VOOR VRIJHEID

Hannah Arendt - Een passie voor vrijheid

Woensdagavond herhaalt het ZDF een interview dat Günter Gaus 20 jaar geleden had met Hannah Arendt. De interviewer was na afloop diep onder de indruk. Zoiets had hij 'in weitem Abstand' niet eerder beleefd.

in: VPRO-gids, 25 november-1 december 1995.

Otto van de Haar

Afbeeldingsresultaat voor hannah Arendt

In 1964 interviewde Günter Gaus voor het ZDF de toen 58-jarige Duits-joodse publiciste Hannah Arendt. Ze vertelde - een beetje nerveus nog vanwege het nieuwe medium - over haar jeugd in Duitsland, de vroege dood van haar vader en haar studie bij invloedrijke filosofen als Karl Jaspers en Martin Heidegger. Ze was een uitzonderlijk begaafde studente, promoveerde op 23-jarige leeftijd bij Jaspers en verkeerde al spoedig op vertrouwde voet met haar docenten. met Heidegger had ze in de jaren twintig zelfs een vlammende liefdesrelatie. Tijdens het gesprek met Gaus bracht Hannah Arendt ook haar persoonlijke ervaringen als jodin in Duitsland  in het midden. En haar vriendschap met de Duitse zionistenleider Kurt Blumenfeld.

Kort na de machtsovername van Hitler in 1933, terwijl Heidegger het nieuwe bewind de hand reikte en Jaspers de voorkeur gaf aan de 'innere Emigration', week hun leerlinge uit naar Frankrijk, waar ze trouwde met eveneens uit Duitsland gevluchte communist Heinrich Blücher. In Frankrijk spande zij zich in om joodse vluchtelingen voor te bereiden op een leven in Palestina. Een fervente zioniste is ze echter nooit geweest. Al bij de stichting van de staat Israël in 1948 wees op de noodzaak van een bi-nationale staatsvorm, met gelijkberechtiging voor palestijnen en joden. Een dergelijk standpunt was uitzonderlijk in die tijd en getuigde van een scherpe, vooruitziende blik.

Toen Frankrijk door het Duitse leger werd bezet, vertrok Arendt voorgoed naar de Verenigde Straten. Daar bracht ze het, na een moeilijke tijd als immigrant, tot professor in de politieke wetenschappen in Chicago en New York. Daar zette zich ook aan het schrijven van haar belangrijkste boek The origins of totalitarianism (1951), dat haar in één klap beroemd zou maken. 'Niet eerder' schreef Arendt-kenner Maarten van Rossum, 'waren nazi-Duitsland en de Sovjet-Unie op deze schaal en met deze intensiteit onder dezelfde noemer (totalitarisme) gebracht'. Later volgden, naast filosofisch werk, nog publicaties als On Revolution en On Violence en niet te vergeten haar geruchtmakende Eichmann in Jerusalem; a report on the banality of evil over het politieke proces tegen oud-nazi Adolf Eichmann, in 1961. Ze leverde hierin principiële kritiek op de rechtsgang en stelde dat Eichmann eerder een conformistische, 'banale' functionaris was dan het monsterlijke brein dat Israël met alle geweld in hem wenste te zien. Bovendien verweet zij de Joodse raden hun samenwerking met de nazi's. Internationale joodse organisaties, ook in Nederland, reageerden met diepe verontwaardiging. Haar beschuldiging was ongenuanceerd en ongevoelig geweest. De affaire kostte haar nogal wat vrienden, onder wie tot haar grote spijt Kurt Blumenfeld. Anderen schaarden zich achter zoals de schrijfster Mary McCarthy, Karl Jaspers en de joodse politocoloog Raul Hilberg. Vlak voor het interview van Gaus, eind 1964 werd Arendts boek in de Bondsrepubliek gepubliceerd. Logisch dat Gaus er nogal op doorvroeg.

Vanuit Amerika bezocht ze regelmatig het naoorlogse Europa. Ook de Bondsrepubliek, die onder leiding van Konrad Adenauer aan een verbluffende economische comeback bezig was. Ze kwam voor lezingen in tot de nok gevulde collegezalen, voor interviews of voor studiedoeleinden. Maar af en toe bracht ze een persoonlijk bezoek aan oude bekenden. Zoals aan Karl Jaspers, die verhuisd was naar het Zwitserse Basel en die ze als 'de beste leermeester aller tijden' beschouwde. Met hem voerde ze vanuit de Verenigde Staten tientallen jaren een levendige briefwisseling, waarin ze de grote naoorlogse gebeurtenissen de revue lieten passeren. Ook Martin Heidegger bezocht ze. Het blijft natuurlijk een fascinerende paradox dat Hannah Arendt, als jodin, met de kennis die ze bezat over Heideggers sympathie voor Hitler, hem na de oorlog altijd de hand boven het hoofd heeft gehouden. Hoe moeilijk dat ook voor haar was. Ze weigerde steevast 'de persoonlijke Heidegger' op te offeren aan 'de publieke Heidegger'. Het weinige dat ze over diens omstreden optreden kwijt wilde was dat ook de Griekse filosoof Plato 'soft on dictators' was geweest. Ze bleef haar leven lang in de ban van hem. Heideggers gevoelens voor haar nauwelijks minder heftig. In de prachtige standaardbiogafie Hannah Arendt; for love of the world van Elisabeth Young-Bruehl, een studente van haar, wordt verteld dat Heidegger het presteerde om in het bijzijn van zijn eigen vrouw, Hannah Arendt 'de passie van mijn leven' te noemen en de inspiratie van zijn werk; hoewel Heidegger beduidend meer voor zijn 'wettig echtgenote' - een fanatieke nationaal-socialiste - voelde dan Arendt lief was. Tot aan haar dood in 1975 bleven ze contact houden.

In  het bewuste interview legt Gaus aan Hannah Arendt de vraag voor of '1933' een breuk in haar leven betekend. 'Nee', zei ze. Die breuk kwam voor haar pas tien jaar later, toen zij in Amerika het catastrofale nieuws te horen kreeg over de Duitse vernietigingskampen. Haar man Heinrich Blücher had haar nog op het hart gedrukt dat zoiets militair gesproken onmogelijk, irrationeel was. Maar ook hij moest zich neerleggen bij het feit dat Hitler niet één oorlog had gevoerd, maar twee. Veel van Arendts latere werk is doortrokken van deze dramatische ervaring. In haar boek The origins of totalitarianism legde ze in pakkende stijl de elementen bloot waaruit volgens haar het nazi-totalitarisme gekristalliseerd was: antisemitisme, imperialisme en racisme. Ze vond deze verschijnselen in de 'afvalbak' van de westerse 19de-eeuwse maatschappij.

Hannah Arendt hekelde even indringend het bestaan van communistische concentratiekampen onder Stalin. tegenwoordig is de parallel tussen regimes van Hitler en Stalin nog amper omstreden, maar in de jaren vijftig was voor menigeen de vergelijking een groot taboe. Het communisme had volgens Arendt steeds verzuimd om het vrijheidsbegrip wettelijk te funderen. Zaken als machtsdeling en federalisme zag zij wel gerealiseerd in de Amerikaanse revolutie. Ze vond het dan ook jammer dat de 'onvrije' Russische en niet de 'vrije' Amerikaanse revolutie zoveel invloed had gehad op het wereldgebeuren. De recente ontwikkelingen in China en Midden-Europa zouden Hannah Arendt dan ook zeker welkom zijn geweest. Toen in 1956 in het communistische Hongarije verrassend een anti-totalitaire  opstand uitbrak, waarbij spontane 'burger-initiatieven' ontstonden, was ze laaiend enthousiast. Ze beoordeelde dit als 'een overwinning voor de vrijheid', ondanks de de nederlaag van de opstandelingen. 

Naarmate ze ouder werd kreeg Hannah Arendt steeds meer academische lauweren aangereikt, maar werkelijk geïntegreerd in het westerse establishment raakte ze nooit. Misschien was haar werk daarvoor te tegendraads. Ondanks haar grote bewondering voor de Amerikaanse Revolutie had ze een scherp oog voor de uitwassen van de Nieuwe Wereld. De heksenjacht tegen links ten tijde van McCarthy verafschuwde. evenals het schandelijke beleid in Vietnam. Hannah Arendt waarschuwde ook voor andersoortige totalitaire dreigingen in het westen, zoals de kunstmatig gestimuleerde consumptieverslaving. Ze had tenslotte een passie voor vrijheid.














zaterdag 15 april 1995

KRONIEK VAN EEN NIET AANGEKONDIGD LEVEN.

n.a.v. Euphrosinia Kersnovskaja, Coupable de rien. Chronique illustrée de ma vie au Goulag (1994).     

Tekeningen uit de Goelag Archipel

KRONIEK VAN EEN NIET AANGEKONDIGD LEVEN

De verschrikkingen in de Goelag Archipel werden door Alexander Solzjenitsyn beschreven, getekend werden ze door Frosia Kersnovskaja in een boek dat in 1991 in Moskou werd gepubliceerd en vorig jaar in vertaling in Frankrijk uitkwam. Tweehonderdvijftig pagina's fotografische herinneringen.   

in: Vrij Nederland, 15 april 1995.

Otto van de Haar

 

 

 Iedereen dient op appèl te verschijnen...

 

Coupable de rien van Euphrosinia (Frosia) Kersnovskaja is geen doorsnee vertelling over de ontberingen in de kampen, in de mijnen of tijdens de transporten in de Goelag Archipel. Het is een met kleurpotlood en aquarel getekende en geschreven kroniek. Tientallen schoolschriftjes heeft ze ermee gevuld. In kunstzinnig opzicht zijn het geen hoogstandjes, maar de tekeningen zijn wel expressief en geven veel gedetailleerde historische informatie over de kleding, de interieurs, de slachtoffers en de daders.

In ongecompliceerde stijl doet Kersnovskaja verslag van de periode 1940 tot 1958. Het jaar 1940 is geen toeval. geboren in 1907 in Odessa vluchtte Kersnovskaja in 1919 met haar (adellijke) familie uit bolsjewistisch Rusland naar het nabijgelegen Bessarabië, waar een van de grootouders een landgoed had nagelaten. Toen in in 1939 het pact tussen Stalin en Hitler over de wederzijdse invloedssferen in Europa werd gesloten, kwam Bessarabië (evenals de Baltische landen, Noord-Boekovina en Oost-Polen) hierdoor binnen het directe bereik van Moskou te liggen. Wat volgde in 1940 was de bezetting door Sovjettanks van Bessarabië, de communistische collectivisaties en ten slotte het op transport stellen van de koelakken naar onbestemde oorden achter de Oeral. Euphrosinia's moeder - haar vader was al overleden - had tijdig de wijk genomen naar het aangrenzende Roemenië maar haar dochter, 33 jaar oud inmiddels, besloot om ...vrijwillig naar de Sovjet-Unie te gaan.

Eind jaren vijftig kwam ze vrij, vernam tot haar geluk dat aar moeder nog in leven was, arrangeerde een ontmoeting met haar in het hun vertrouwde Odessa, in de Sverdlovstraat om precies te zijn, en beloofde daar haar moeders laatste wens na te komen: het opschrijven van haar trieste 'leerjaren', zoals ze het zelf noemt, in de Goelag. Ze is er korte tijd later aan begonnen. Op de vraag waarom het boek toen niet in druk is verschenen maar pas in 1991 in  Moskou, is het antwoord simpel. De memoires slaan namelijk ook op de Chroesjtsjov-tijd (1954-1964). Over Stalin en zijn metgezellen wilde Chroesjtsjov naar bekend best wel een een en ander kwijt. En dat deed hij ook tijdens opzienbarende partijcongressen in 1956 en opnieuw in 1961. Verschillende schrijvers hebben van deze 'dooi' kunnen profiteren. Maar aan onthullingen over zijn eigen ambtsperiode had Stalins opvolger nu geen behoefte. Kersnovskaja vertelt hoe kort na de dood van Stalin door 200 gedetineerden een petitie werd ondertekend met als voor de hand liggend doel een herziening van hun vonnis. Het werd in bloed gesmoord. Frosia vermeldt dat er in 1954-1955 uit de kolenmijnen van Norilsk in het hoge noorden van Siberië, gevangenen massaal werden vrijgelaten en dat het kampregime ook voor haar minder hard werd. Ze bleef er zelfs nog enkele jaren als 'vrije loonarbeider' werken nadat haar straftijd erop zat. De barakken waren er 'ruimer' op geworden. Aantijgingen van 'anti-sovjetagitatie' bleven evenwel ook onder Chroesjtsjov populair en bedreigend voor iedereen. Ook Kersnovskaja ondervond dit. Het feit dat ze in (de verkeerde) God geloofde - de gedichten van Majakovski omschreef ze als 'anti-religieus', wat haar duur kwam te staan - zal eveneens publicatie in de weg hebben gestaan.

Waarom verkoos Frosia in 1940 niet om te vluchten zoals haar moeder, of onder te duiken? Herhaaldelijk werd ze gewaarschuwd. 'Het zijn de schuldigen die op de vlucht slaan', was haar reactie destijds, 'de lafaards die zich verstoppen'. Ze voegt er terugkijkend aan toe dat dergelijke uitspraken niet vrij waren van 'een zeker pathos'. Hoe dan ook, ze zocht het gevaar op en ze weigerde lijdzaam af te wachtentotdat met haar aks een konijn in haar nekvel greep. Ze stond erop te bewijzen dat ze eenvoudig geen 'parasiet' en 'uitbuiter' was maar zich in tegendeel dienstbaar wilde maken. Het was deze optelsom van durf, daadkracht en donquichotterie die haar curieuze besluit verklaart. Die karaktertrekken zien we terug in deze kroniek. Zo zijn er roerende schetsen rondom een bevalling in een afgeladen wagon richting Novosibirsk, waarbij Frosia ijverig assisteert. Wanneer de trein halt houdt omdat de bewakers wegens de hitte gaan zwemmen in een meer dat aan de spoorbaan ligt, slaagt ze erin zich door een raampjes naar buiten te wringen en zo de aan de buitenkant gesloten wagondeur open te krijgen. Vliegensvlug haalt ze een emmer water om de boreling te wassen. Ze heeft het aan het gioede humeur van de 'als dolfijnen' rondspartelende bewakers te danken dat ze niet word neergeschoten.

Frosia Kersnovskaja haalt een emmer water om een pasgeborene te wassen.

In een van de laatste hoofdstukken zien we enkelerode soldaten zes dode gevangenen het mortuarium binnenslepen en op een hoop gooien. Frosia was daar tijdelijk tewerkgesteld. De lijkschouwer wordt bedreigd en uitgescholden omdat hij absoluut weigert een formulier af te geven waarin staat dat de zes (na waarschuwingen) 'op de vlucht' zijn neergeschoten. De reden voor de weigering was dat iedereen kon zien dat de gedetineerden op korte afstand met geweerkolven en stompe voorwerpen de schedel en de borstkas waren ingeslagen. Het naïeve maar gedurfde optreden van de lijkschouwer is Frosia uit het hart gegrepen. Ook al bezegelde hij hiermee zijn lot. Deze schets uit de 'getekende goelag' heeft grote zeggingskracht.

 Consultatie bij dokter Müller.

 

Dat geldt eveneens voor Frosia's verbeelding van haar vlucht door de taiga, het tegen haar gevoerde proces, de toestanden in het veldhospitaal, de slavenmarkt van Krasnojarsk en de al genoemde mijn van Norilsk. Het boek bevat ruim 250 bladzijden. Maar als al het materiaal van Frosia gepubliceerd was, zou de uitgave minstens vier keer zo dik zijn geworden. Een forse inkorting kon blijkbaar niet uitblijven. Wat overbleef is weliswaar substantieel, maar je blijft nieuwsgierig naar de honderden tekeningen die nog ergens in een a moeten liggen. In de door de uitgever ingevoegde titels van hoofdstukken met dat zitten nogal eens slordigheden, zoals 'April 1944 - augustus 1994. Nieuwe veroordeling. Norilsk'. Dit moet augustus 1944 zijn. Als Frosia in haar chronologisch opgebouwde boek stilstaat bij een belevenis in juni 1941 is het alleen maar verwarrend als het hoofdstuk 'Juli 1941 - februari 1942. De verbanning' heet. Toch staan deze foutjes in de schaduw van wat hier allemaal te zien en te lezen is, te meer omdat het beeldmateriaal over de 'arbeids/vernietigingskampen' in de Goelag Archipel, om een term van Solzjenitsyn te gebruiken, schaars is.






zondag 1 mei 1994

'ALS DE RUSSEN KOMEN'

n.a.v. de VPRO-documentaire in acht leveringen: Als de Russen komen en
Ronald Havenaar, Van Koude Oorlog naar nieuwe chaos, 1939-1993.

In: Spiegel Historiael, mei 1994, p. 175-176.
 

Otto van de Haar

ALS DE RUSSEN KOMEN

Het bekende VPRO-geschiedenisprogramma OVT (Onvoltooid Verleden Tijd) was in de slotmaanden van vorig jaar voor een gedeelte gewijd aan de documentaire Als de Russen komen - over de Koude Oorlog in Nederland.
In acht wekelijkse uitzendingen op de zondagochtend werden de luistervrienden aan de hand van een reeks vraaggesprekken teruggevoerd naar die paradoxale periode van angstige spanning en stabiliteit. Een tijd waarin het conflict tussen Moskou en Washington zijn onmiddellijke uitwerking had op het nationale politieke en persoonlijke vlak. Naast partijpolitieke figuren van verschillend pluimage waren onder meer een generaal buiten dienst, een diplomaat, iemand van de Nationale Reserve, een wetenschapsman en een burgervader te beluisteren. Het is begrijpelijk dat aan CPN'ers en BVD'ers en hun dramatische onderlinge verhouding ruimschoots aandacht werd besteed. Het gemeenschappelijk kenmerk van de geïnterviewden was, aldus hoofdredacteur Hans Olink, dat zij allen de koude oorlog bewust hebben meegemaakt. De programmamakers zijn wat vaag over het precieze einde van de koude oorlog. Deze zou zelfs nog voortduren. Door de term ook te gebruiken voor de episode ná de recente revolutionaire veranderingen in voorheen het Sovjet blok - het begrip 'desintegratie ' is toepasselijker - worden specifieke eigenschappen van de echte koude oorlog genegeerd. Ik doel niet slechts op de typisch ideologische tegenstelling maar ook op het feit dat naarmate de koude oorlog voortduurde, hij ook stabiliteit impliceerde. Kom daar vandaag eens om.

Meer evenwicht

De achtergrond van deze vaagheid is het gebrek aan confrontatie bij de redactie met betrekking tot het definitieve demasqué van het staatscommunisme. En dat terwijl de onthullingen en niet te vergeten de macabere opgravingen her en der in de Sovjet-Unie, in haar nadagen, bij menige westerling de toch al stoute verwachtingen nog overtrof. Anders geformuleerd: had - gezien de actualiteit- het stalinistisch karakter van de Sovjetstaat niet nadrukkelijker naar voren moeten komen bij de verduidelijking (van het ontstaan) van de koude oorlog? De volstrekt meedogenloze en gewetenloze aard van Stalins bewind, waarmee de Oost-Europese staten kort na de oorlog eveneens kennismaakten, verklaart weliswaar niet direct de koude oorlog, maar is er wel als reële angstfactor onlosmakelijk mee verbonden. Het commentaar dat het geheel van een historisch jasje voorziet, maakte hierdoor soms een wel erg neutrale indruk.
Een voorbeeld. Door de redactie wordt voor de verantwoordelijkheid van de aanzet (1945-1946) van de koude oorlog vooral in westelijke richting gekeken. Niet alleen gezien een aantal vraaggesprekken, ook wordt een deel van de roemruchte speech van Winston Churchill uit maart 1946 ten gehore gebracht die de gewezen oorlogsleider hield in het stadje Fulton, gelegen in de Amerikaanse staat Missouri (en niet zoals de commentaarstem het wil 'in Groot-Brittannië): 'From Stettin in the Baltic to Triest in the Adriatic, an iron curtain has descended across the continent...'
Dit deel van de documentaire had wellicht aan inzicht gewonnen indien ook de fameuze, maar niet minder belangrijke 'oorlogsverklaring' van Stalin uit februari 1946 in herinnering was gebracht. (Een analyse van deze rede wordt ten beste gegeven in het vorig jaar verschenen boek van dr. Ronald Havenaar: Van Koude oorlog naar een nieuwe chaos, 1939-1993). In zijn toespraak op een 'verkiezingsbijeenkomst' gaf Lenins opvolger de toehoorders te verstaan dat zich tussen de twee kampen een nieuwe strijd aankondigde, die onvermijdelijk op een oorlog zou uitlopen. Men kan tegenwerpen dat Stalin niet serieus meende wat hij zei en met zijn uitspraken vooral propagandistische doelen najoeg. Maar in dart geval moet de mogelijkheid open gehouden worden dat de donderspeech van Churchill eveneens met een korrel zout wordt genomen. Havenaar brengt vervolgens Churchills opmerking in stelling dat het Kremlin de vriendschap van het Westen minstens zozeer vreesde als de vijandschap. Open contacten met westerse maatschappijtypen zou Stalins totalitaire macht snel ondergraven hebben.
Genoemde publicatie is de redactie van het radioprogramma niet ontgaan en voorafgaand aan de documentaire prijkte in de VPRO-gids een interview van Hans Olink met Ronald Havenaar. Helaas is er van de inhoud van dit gesprek over het boek niets terug te vinden in de serie. Waarom niet?
Olink desgevraagd: 'Het boek is niet gebruikt voor de serie omdat het niet handelde over de koude oorlog in Nederland. Het ging me bij dit interview vooral om de attentiewaarde'. Het zou zinvoller geweest zijn als er een duidelijke keus was geweest. Of we verbinden Havenaars boek met de serie, of we laten het boek en het interview vallen. Zoals het nu is gebeurd, dekt de vlag de lading niet. De attentie is weliswaar gewekt maar de verwarring ook.

Gebrek aan confrontatie

Olink heeft gelijk als hij stelt dat Havenaars boek niet specifiek over de koude oorlog in Nederland gaat. Maar aangezien ons land invloed onderging van het bipolaire conflict, is dit bezwaar maar gedeeltelijk op zijn plaats.
Van koude oorlog naar nieuwe chaos, 1939-1993 bevat overigens meer passages waarmee de serie haar voordeel had kunnen doen. Te denken valt aan de Korea oorlog en de verreikende gevolgen hiervan voor de Duitse herbewapening die ook in de serie ter sprake kwamen. Beide fenomenen blijven nu op zichzelf staan. Zoals de titel aangeeft, laat Havenaar de koude oorlog beginnen in 1939 met het Hitler-Stalin Pact. Toen begon volgens hem Stalins expansiepolitiek naar een deel van Oost-Europa. Na het intermezzo van de Tweede Wereldoorlog nam hij dezelfde draad weer op en schoof nog verder in westelijke richting. Deze stelling klinkt doordacht en logisch. Tenslotte viel de afloop van de koude oorlog niet per toeval samen met de ineenstorting van de Oosteuropese staten. Toen Moskou deze regimes militair niet langer ruggensteunde, was het einde daar. Het probleem met deze these is wel dat Hitlers ontketening van zijn extreem bloedige expansieoorlog tegen de Sovjet-Unie tot een detail wordt gereduceerd.
Havenaar heeft een sterke troef in handen door te wijzen op het stalinistische karakter van de Sovjetstaat bij het ontstaan (en het verloop) van de koude oorlog. De Duitse invasiemacht heeft echter ook 'karaktervormend' gewerkt op de Sovjet-Unie en heeft de naoorlogse politiek mede bepaald. Stalin heeft de Führer immers niet verzocht hem eerst aan te vallen zodat hij Hitler kon verslaan om zodoende zijn expansiezucht in Midden-Europa te kunnen stillen. Meer evenwicht tussen beide factoren had de overigens fraai geschreven studie overtuigender gemaakt.
De kritiek op de VPRO-documentaire laat onverlet dat deze veel positiefs te bieden heeft. De vraaggesprekken vertonen een behoorlijke variatie. Datzelfde geldt voor de boeiende archieffragmenten, zoals de stemgeluiden van Jacques de Kadt en Paul de Groot. Eén groep komt er bekaaid af: die van de gewone, niet-partijgebonden burger. De voornaamste kracht van de serie is een grote concreetheid en levendigheid. De documentaire als geheel biedt ook een stimulans om je te verdiepen in de (herinnerings)literatuur over de joude oorlog.
Kernbezwaar blijft het gebrek aan actuele confrontatie met het einde van het communistische staten. Die confrontatie had een impuls kunnen betekenen om door middel van het commentaar de 'deelnemers' aan de de koude oorlog in Nederland van meer perspectief te voorzien dan nu het geval was. respect voor de (gesproken) bronnen, welke dan ook, is uiteraard evident. Maar het is de journalist/historicus die ze niet alleen selecteert maar ze ook laat spreken binnen een breder kader. Het zelf ten tonele gevoerde boek van Ronald Havenaar had hierbij in bepaalde opzichten bruikbaar kunnen zijn. Zoals het nu is gedaan, had deze serie ook tien jaar eerder gemaakt kunnen zijn.




donderdag 23 december 1993

LIBERALISME MET LETSEL

   

n.a.v. Karl Dietrich Bracher, Wendezeiten der Geschichte. Historisch-politische Essay, 1987-1992 (1992).

In: Markant, 23 december 1993.

Otto van de Haar

 

LIBERALISME MET LETSEL

Nieuwe essays van Duitse politicoloog Karl Dietrich Bracher



 


In de omvangrijke artikelenbundel Wendezeiten der Geschichte. Historisch-politische essays van de internationaal bekende liberale politicoloog Karl Dietrich Bracher (1922) passeren veel begrippen de revue zoals macht en geweld, ondergang en vooruitgang maar één springt eruit en laat alle andere achter zich: het totalitarisme.
Het heeft dan ook weinig zin je door de (door Bracher? door de uitgever?) uitgedachte thematische driedeling - Historische crises en ervaringen, Erfenis van het nationaalsocialisme, Democratie in verandering - te laten leiden. Steeds weer blijkt het totalitarisme het 'overkoepelend orgaan'. In navolging van de fameuze Franse denker Raymond Aron gelooft Bracher niet in het einde, maar de onsterfelijkheid van (totalitaire) ideologieën.
Zijn onderwerpskeuze moet niet alleen gezien worden tegen de achtergrond van het nazisme dat diepe sporen heeft nagelaten in zijn geboorteland. Brachers preoccupatie houdt vooral ook verband met die andere variant van het totalitarisme, het communisme, die na 1945 bleef voortbestaan tot 1991. De intensiteit waarmee het totalitarisme behandeld wordt, heeft ongetwijfeld te maken met het feit dat hij dit fenomeen als tijdgenoot heeft meegemaakt. Beide varianten van het totalitarisme hebben hem gebracht tot een bewust gekozen en beleden liberaal engagement. Helaas gaat dit systematisch uitgedragen liberalisme ten gevolge van een wetenschappelijke evenwichtsstoornis met blijvend letsel door het leven. Een illustratie van waar hij zijn evenwicht verliest is zijn onderzoek naar de oorsprong van de twee totalitarismen.

Oorsprong totalitarismen

Wat blijkt namelijk? Dat hij een verschillende aanpak heeft gekozen om respectievelijk de nazistische en communistische variant uit de doeken te doen. In het eerste gevl maakt de auteur gebruik van een multicausale verklaring, in het tweede geval echter is er geen enkele plaats voor omstandigheden en voorwaarden.
Factoren die de uiteindelijke overwinning van het nationaalsocialisme mogelijk hebben gemaakt waren volgens hem de volgende: op de allereerste plaats de opgang van extreem-links (de KPD) en extreem-rechts (de NSDAP) en de geringe geneigdheid tot compromis gedurende de eerste Duitse democratie. Verder de schok bij de bevolking door de onverwachte nederlaag van 1918, de dualiteit tussen presidentiële en parlementaire macht, ernstige sociaaleconomische problemen, de specifieke rol van het Duitse leger en een voor-democratische mentaliteit in het staatsapparaat en bij justitie.
Bovendien was de nationale staatsvorming (vanaf 1870-1871) historisch moeilijk en politiek complex geweest. De antiwesterse wending waarbij de Weimar-republiek van 1918 als onduitse import werd afgedaan, en het nationalistisch revisionisme hadden geleid tot het isolement en de zelfvernietiging van de Weimar-democratie en het Duitse Rijk.
Kortom, een hele waaier van verklaringen en Bracher legt ook uit waarom: 'Bij een kritische beoordeling blijkt dat een simpele verklaring niet mogelijk is. Alle redeneringen en afleidingen die zijn gebaseerd op één enkele hoofdoorzaak of een causale formule zijn misleidend'.

Bij zijn uiteenzettingen over het communistisch totalitarisme vinden we een dergelijke aanpak niet terug. Was het dan zo'n krachttoer om, mutatis mutandis, ook voor Rusland aan de vooravond van de machtsovername in november 1917 verklaren de omstandigheden op te sommen? Hier gold toch ook een voor-democratische mentaliteit in het staatsapparaat? Rusland kampte eveneens met sociaaleconomische problemen en de bevolking was net zo goed op drift geraakt door het radicaliserende geweld van de eerste wereldkrijg. Verder lijkt het niet al te riskant om te beweren dat de Russische 19de eeuw eveneens 'historisch moeilijk en politiek complex' was. Om de parallel voort te zetten kan ook nog gedacht worden aan het dualisme tussen doema's/sovjets en Grondwetgevende Vergadering. En als laatste moet de door Bracher als meest fataal beschouwde factor op de weg naar het totalitarisme (van toen en thans) genoemd worden: de tegenstelling tussen de compromisloze extremisten van politiek links en rechts. De bolsjewistische partij opereerde immers net zo min als de NSDAP in het politiek luchtledige. Ook de partij van Lenin en Trotski werd geconfronteerd met compromisloze tegenstanders.
De enige factor die Bracher wel naar voren haalt als verklaring voor het Russische (en niet te vergeten Oost-Europese) is de onjuiste communistische theorie, die inderdaad kan bogen op een lange autoritaire geschiedenis. Dat deze alleen verantwoordelijk zou zijn geweest, lijkt mij echter onwaarschijnlijk.

Dit verschil in visie op de varianten van het totalitarisme - moderne uitingen ervan als nationalisme en fundamentalisme noemt Bracher slechts in het voorbijgaan - komt wellicht doordat het communisme veel langer voortduurde dan zijn Duitse tegenvoeter en dat het zijn bedreigende schaduw tientallen jaren over West-Europa en vooral West-Duitsland wierp. Maar had dit geëngageerde wetenschapper Bracher behoeven te verhinderen om, naast een politiek-morele veroordeling ook de historische omstandigheden ten tonele te voeren, zoals dit met betrekking tot het nazisme werd ondernomen?
Iemand als de Nederlandse denker Jacques de Kadt bijvoorbeeld liet in Het fascisme en de nieuwe vrijheid uit 1939 zien dat een politieke verwerping en zakelijk onderzoek met betrekking tot het nationaalsocialisme tot de mogelijkheden behoorde. Dit terwijl deze beweging nog volop in opmars was. Met andere woorden, het bestaan van een totalitair systeem hoeft nuchter onderzoek ernaar niet per se in de weg te staan. In plaats hiervan beperkt Bracher zich tot een (door hem zelf verfoeide) monocausale uitleg. Brachers morele en emotionele verwerping heeft, in het geval van het communistisch totalitarisme dus helaas de overhand gekregen op een zo nuchter mogelijk onderzoek.

Blijvend letsel

 

Laten we nu eens kijken naar diens presentatie van het Europees-Amerikaanse liberalisme. Hier zien we een ethisch geladen goedkeuring van het liberale systeem dat voor duizelingen zorgt en 'blijvend letsel' veroorzaakt zoals in het geval van Vietnam.
Volgens de auteur onderscheidt de democratie en het Europees-Amerikaanse model zich door het in wezen 'anti-ideologische inzicht' dat het doel de middelen niet heiligt. Kenmerkend zijn verder de bereidwilligheid tot compromis en de erkenning van de 'onvolkomenheid der mensen'.
Slechts bij hoge uitzondering wordt het eigen systeem door Bracher onder de loep genomen. Dit gebeurt aan de hand van de 19de eeuwse graaf Alexis de Tocqueville die in zijn boek over Amerika (1835-1840) de vinger legde op de ambivalente betekenis van de publieke opinie. Deze impliceerde namelijk niet alleen vrijheid maar ook het gevaar van conformisme en manipulatie. Maar Bracher laat er direct op volgen dat dit veel meer van toepassing is op de 'gesloten politieke systemen.'

Bracher staat zijn lezers niet tot het liberale systeem historisch te toetsen, laat staan te kritiseren. Staatsburgers moeten zich van hem midden in de realiteit ophouden en zich volledig identificeren met de parlementaire democratie. Kritiek op de fundamenten van het liberalisme leidt alleen naar tot vervreemding en ongeloof in de politieke mogelijkheden van de rechtsstaat.
Uiteindelijk gevolg volgens Bracher? Ontgoocheling en de vlucht in levensgevaarlijke  extreme 'totale oplossingen'. Aan het begrip Bürger is in deze bundel geen gebrek, maar over initiatieven vernemen we heel wat minder. Het verrast niet dat iemand die een dergelijke 'ijzeren democratie' presenteert, op het terrein van de buitenlandse politiek evenmin ruimte  voor kritiek biedt. Tekenend is de wijze waarop Bracher met de kwestie Vietnam omspringt.
Hij wil hier ook vandaag de dag niet mee geconfronteerd worden. Het tonen van eertijdse televisiebeelden vindt gelijkstaan met zelfkwelling. terwijl de totalitaire stelsels in de verschillende essays consequent ' op hun daden' worden getest en veroordeeld blijft een dergelijke benadering uit het door het Westen bewandelde pad in Vietnam. Ook de eerder genoemde Raymond Aron, een enigszins met Bracher vergelijkbare anti-totalitarist, beefde niet bij de napalmbombardementen op Vietnam. De enige reactie die de Franse socioloog in zijn herinneringen naar voren bracht was een verwijzing van een uitspraak van Hegel: ik ben geen 'schöne Seele'(1).

Zoals vermeld noteerde Bracher over de democratie dat het hierbij gaat om het 'anti-ideologische inzicht' dat het doel de middelen niet heiligt. Een tegenspraak tussen deze stelling  en praktijk van Vietnam ontwaart hij helaas niet. De door hem opgeworpen erkenning van de 'onvolkomenheden van de mensen', als karakteristiek voor de democratie, wordt niet ter verdediging aangevoerd. En waar is 'de bereidheid tot compromis' gebleven?
Het is aandoenlijk dat iemand die zich in het allereerste opstel 'De ervaring van Weimar'  op hartverwarmende wijze verzet tegen een 'ont-moralisering van de geschiedenis', dit bangelijk nalaat als het een misdaad uit de Atlantische wereld betreft.
Als gevolg van Brachers wetenschappelijke evenwichtsverlies - waarbij een nuchtere kijk het onderspit tegen emotionele systeemidentificatie - gaat diens liberalisme met blijvend letsel door het leven. 

(1) Ik verlaat mij op een artikel van de Leidse historicus H.L.Wesseling: 'Een intellectueel en de politiek: Raymond Aron, 1905-1983' in: Vele ideeën over Frankrijk. Opstellen over geschiedenis en cultuur (1988), p. 151.


Reactie van dr. N.K.C.A. in 't Veld:

 





maandag 1 maart 1993

HITLER EN STALIN - PARALLELLE LEVENS

n.a.v. Allan Bullock, Hitler en Stalin; Parallelle levens. 1991.
(Oorspr: Hitler and Stalin; Parallel lives, 1991).

in: Socialisme & Democratie, maart 1993.

Otto van de Haar 

HITLER EN STALIN: EEN 'UNIEKE TWEELING'

Ruim 15 jaar geleden hield de Britse historicus Alan Bullock een lezing in Cambridge met als motto 'Is history becoming a social science?' (1). Hierin keerde hij zich zonder veel omhaal tegen met name de historici rond het Franse tijdschrift Annales. Economies, Sociétés, Civilisations. Niet omdat deze school, in de jaren zeventig de meeste uitstraling had, zich sterk maakte voor sociale, economische  en mentaliteitsgeschiedenis. Tenslotte voorzag dit in een behoefte en had het de historische blik verruimd. Ook was nuttig om bepaalde regelmatigheden en continuïteiten in de geschiedenis op te diepen. Maar Bullock stoorde zich wel aan het feit dat de representanten van de Annales, zoals Fernand Braudel, de politieke geschiedenis ('l'histoire des événéments') en de geschiedenis van het individu als welhaast te verwaarlozen factoren terzijde had geschoven. Hiermee nam de Britse historicus indirect zijn eigen politieke biografie van Adolf Hitler (1952) - die wijd en zijd faam verwierf - in bescherming. Want daarin had hij er just de aandacht op gevestigd hoe groot de rol van de Führer bij de ontwikkelingen in Duitsland en Europa was geweest (2).

Bullock, tijdens de Tweede Wereldoorlog politiek correspondent en sinds 1945 werkzaam in Oxford, stoorde zich ook aan de oriëntatie van sommige collega-geschiedkundigen op de sociale wetenschappen ter wille van harde historisch-wetenschappelijke verklaringen en modellen. Zoiets was een onmogelijkheid omdat de historische realiteit teveel getekend was door verwarrende onregelmatigheden, toeval en complexiteit. De waargenomen tendens ('Is history becoming a social science?') werd dan ook wat Bullock betrof met een krachtig 'nee' beantwoord. De in dit college uit 1976 verdedigde traditionele geschiedvisie is voor een gedeelte terug te vinden in zijn eind vorig jaar verschenen Hitler en Stalin. Parallelle Levens (3). In de inleiding van deze dubbelbiografie neemt hij namelijk afstand van naoorlogse politicologen, die bij hun vergelijking tussen nazi-Duitsland en Sovjet-Rusland (soms inclusief fascistisch Italië) slechts de overeenkomsten hadden uitgelicht om zodoende te komen tot de constructie van het (monolithische) totalitarisme-model. Hiermee was de historische werkelijkheid geweld aangedaan. Bullock wil ook de verschillen de ruimte geven: '(...) ik wilde door middel van een algemene onderlinge vergelijking het unieke individuele karakter van beiden illustreren'(4); parallelle - niet identieke - levens. om deze aanpak te doen slagen vond Bullock het nodig om de 'chronologische dimensie' - iets waar de Annales ook al geen hoge dunk van had - topprioriteit te geven. Een louter thematische benadering zou naar zijn zeggen het unieke tekort doen.

Gemankeerde compositie

Dit mag zo zijn, maar Bullocks 'eis der chronologie' en zijn voorliefde voor het beschrijvende en het vergelijkende heeft een zware prijs. Kernprobleem is dat een fors deel van het boek (alleen al aan tekst 10150 pagina's) gevuld is met wederwaardigheden en details die maar moeilijk kunnen rechtvaardigen waarom beide dictators nu speciaal zijn samengebracht in één biografie. Dat vraagt immers om een uitgebreide onderlinge vergelijking. Als het Bullock in essentie om het 'unieke en individuele' zou zijn gegaan, waarom is dan niet gekozen voor een portrettengalerij met daarin ook Churchill en Mussolini, Franco of Blum? Allemaal figuren wortelend in het Europa van het Interbellum en de Tweede Wereldoorlog, het interesse- en onderzoeksgebied bij uitstek van de auteur. 

Wat is om iets te noemen, de de waarde van een relaas over Britse en Duitse militaire manoeuvres rond het Noorde Narvik (pp. 707-714) binnen de context van 'parallelle levens'? Werkt het inzichtverhogend als Bullock de uiteenlopende veldslagen (met precieze gegevens over aantallen manschappen, merken vliegtuigen en tank-types) tijdens de Tweede Wereldoorlog of de Russische burgeroorlog uitpluist? Meer voorbeelden. Tussen bladzijde 600 en 643 wordt en détail verhaald hoe en waarom Hitler er in de jaren 1938-39 in slaagde Oostenrijk en Tsjecho-Slowakije te annexeren. Mijns inziens had in zo'n geval volstaan kunnen worden met enkele samenballende alinea's zodat de hoofdlijnen van het betoog - ook voor de 'geïnteresseerde leek' waarvoor Bullock in het bijzonder zegt te schrijven - helder blijven. Of neem het negentiende en voorlaatste hoofdstuk, getiteld: 'Stalins nieuwe orde (1945-1953)' Wat de lezer moet beginnen met een uitgebreide rondleiding langs de Balkanfederatie, het plan Marshall en de luchtbrug naar Berlijn blijft - ook al getuigt deze van deskundigheid - raadselachtig. In het voorwoord schrijft Bullock dat zijn vriend en literaire agent Andrew Best hem wat het uiteindelijke aantal pagina's betreft weinig in de weg heeft gelegd. Had Best het maar wel gedaan. Want op dit punt is 'parallelle levens' mislukt, tenzij het gebruikt wordt als een soort naslagwerk met op zichzelf staande taferelen en personages, die het moeten stellen zonder een eenduidige regie. De scheve compositie is herleidbaar tot Bullocks 'methodologisch compromis' tussen een sociaal-wetenschappelijke, vergelijkende aanpak en een benaderingswijze die chronologisch-feitelijk en beschrijvend is.

Polen en Spanje

Daar waar Bullock stopt met de lezer te laten waden door een feitenzee en overgaat tot de beloofde vergelijking komen al gauw tal van samenhangen in beeld. Op buitenlandspolitiek terrein bijvoorbeeld is het interessant hoe het optreden van de Twee in het sinds 1939 onderling verdeelde Polen naast elkaar worden geplaatst. De communisten heetten de Polen te zullen bevrijden, terwijl Hitler de natie wilde vernietigen. In de concrete praktijk echter werden door de 'ideologische tegenpolen' parallelle methoden aangewend. In Oost-Polen werd met behulp van de NKVD het Stalin-model geïntroduceerd, steunend op diegenen die voorheen te lijden hadden gehad van hun hun minderheidspositie (Oekraïners, joden). Het gebied werd door Moskou geplunderd en dit vormde een voorafschaduwing van Stalins beleid dat ontstond in de nasleep van de Tweede Wereldoorlog in Midden- en Oost-Europa. De manier waarop Stalin toen, in het kielzog van het Rode Leger, zijn macht en invloed uitbreidde, brengt Bullock knap onder één noemer met Hitlers successen op buitenlands gebied in de jaren dertig; in beide gevallen waren de dictators de westerse mogendheden steeds slag voor. In het westelijk deel van Polen realiseerde Hitler zijn racistische ideeën door middel van de SS, ondersteuning vindend bij de voormalige Duitse minderheid. Met een werkelijke genoegdoening voor het gebiedsverlies als gevolg van 'Versailles' had Hitlers expansief nationalisme helaas weinig uit te staan. De man was immers nooit verzadigd. Bullock wijst er overigens op dat Rusland als gevolg van de Eerste Wereldoorlog grotere gebieden (met meer grondstoffen) moest prijsgeven dan Duitsland. De parallellie school verder vooral in het liquideren van de Poolse bovenlaag: ambtenaren, officieren, joden, rijke boeren.

De betrokkenheid van de Twee bij de Spaanse Burgeroorlog geeft een minstens zo frappante overeenkomst te zien, zij het dan Hitler er sterker uit te voorschijn kwam. Frappant niet slechts vanwege de grondstoffen en goudvoorraad die de Spaanse nationalisten en republikeinen voor militaire bijstand dienden te leveren. Of omdat de Russische en Duitse legers in Spanje live konden oefenen. Maar met name omdat Moskou en Berlijn - onder het mom van 'anti-communisme' en 'anti-fascisme' - gebruik maakten van het afleidend effect van sde Burgeroorlog om intern orde op zaken te stellen: de een zette vaart achter de herbewapening met het oog op de felbegeerde Lebensraum, de ander zuiverde genadeloos de partij. Beide dictators hadden dan ook geen haast om het pleit te beslechten. Sommige hedendaagse historici zijn de opvatting toegedaan dat Hitler en Stalin revolutionairen waren. Hoe en in welke mate dit precies het geval was in het Spanje van de jaren dertig ontpopten beide leiders zich tegenover de autonome revolutie van 1936-38 als onvervalste doodgravers. Bullock heeft er geen behoefte aan gehad dit laatste uit te werken. Zijn inlevingsvermogen ten aanzien van de opstandelingen van Warschau, in 1944, houdt evenmin over. De diplomatiek georiënteerde historicus lijkt de algemene militair-strategische belangen van Roosevelt, Churchill en Stalin beter te begrijpen.

Politieke carrières

De politieke weg naar de macht van Hitler en Stalin was nauwelijks denkbaar zonder de voor hun land zo dramatisch verlopen Eerste Wereldoorlog. En beiden hadden later het gelukkige toeval aan hun zijde. Hitler toen hij de macht door Von Papen in de schoot kreeg geworpen, Stalin door te profiteren van de vroege dood van Lenin. De Twee kwamen niet voort uit de traditionele economische of intellectuele elite en werden daarom als 'eenvoudige zonen des volks' door hun omgeving structureel onderschat (Trotski!). Toch was hun positie in de partij totaal verschillend, concludeert Bullock. De tien jaar oudere Stalin (1880-1953) had het voordeel dat de CPSU enkele jaren na 1917 al haar concurrenten reeds onschadelijk had gemaakt. En de rol van Lenins opvolger was in de jaren twintig dan die van zijn Duitse tegenvoeter, die anno 1923 zojuist een pijnlijk geflopte mini-putsch achter de rug had. Daar stond evenwel tegenover dat Hitlers positie binnen de NSDAP bijna van stond af aan onweersproken was en ook bleef, in elk geval tot in 1944. Hij was grondlegger, ideoloog, organisator en volksmenner in één. 

Stalin had voor het bereiken van de top een veel langere tijd nodig. Ten eerste vanwege de eeuwige schaduw van Lenin; Stalins optreden tijdens de Oktoberrevolutie was weinig tijdgenoten opgevallen en ook zijn  intellectuele prestaties waren niet bijzonder te noemen. met diens geforceerde landbouwcollectivisaties  en industrële gigantomanie (1929-1933) beoogde Stalin dan ook niet alleen Rusland een versnelde economische ontwikkeling (socialisme in één land) te laten doormaken. Tevens probeerde deze grenzeloos ambitieuze man hiermee zijn trauma uit 1917 te ontworstelen. Hoe drukte Stalin het zelf uit? Zonder zijn derde revolutie zouden de omwentelingen van 1905 en 1917 'zonder toekomst' zijn gebleven. De latere partijzuiveringen - waarbij de eliminatie van Strasser en Röhm verbleekten - plaatst Bullock eveneens binnen het kader van genoemde frustratie, zonder dat hij de Russische traditie, die zo rijk was aan samenzweringen en sabotage, uit het oog verliest. Hitlers paranoïde wantrouwen begon eigenlijk pas goed na de aanslag op zijn leven uit militaire kring in 1944 en bood hem de kans om al zijn frustrerende nederlagen op het slagveld anderen in de schoenen te schuiven. De oorspronkelijke weerzin binnen het bolsjewisme tegen een personalistische politiek was een tweede hinderpaal voor de naar erkenning smachtende Stalin. En dan moest nog rekening gehouden worden met concurrerende westerse stromingen als de sociaaldemocratie en later het trotskisme die een heel andere visie op het marxisme en het leninisme huldigden. De Stalin-cultus vereiste zodoende veel meer organisatie dan die rond Hitler, die een spontaner verloop kende. Maar toen de cultus in de Sovjet-Unie uiteindelijk in kannen en kruiken was, kon zij een vergelijking met de Führer-mythe goed doorstaan. beiden zagen om tactische redenen af van een gewelddadige machtsgreep. Zoals Stalin zijn communistische rivalen een voor een onschadelijk maakte binnen de bolsjewistische staatspartij (vanaf 1923), deed Hitler dit door concurrerende partijen (vanaf 1930) te slim af te zijn. Hij hamerde hierbij op het 'principe van de wettigheid' en hield het constitutionele decor zo veel mogelijk in stand. Stalin, die Lenins testament goed had gelezen, gebruikte het zogenaamde 'collectieve leiderschap' lange tijd als dekmantel.


Karakter

 

Voor wat betreft temperament waren Hitler en Stalin elkaars tegengestelden. Eerstgenoemde bleef zijn leven lang de 'kunstenaar-politicus', wars van vergaderingen en bestuurlijke zaken. Hij was ook neurotisch en vaak opmerkelijk aarzelend in zijn besluitvorming. De sphinxachtige Stalin was op en top een bureauman-bestuurder, met veel meer geduld en oog voor gedetailleerde beleidskwesties. Dit verschil in stijl weerspiegelde zich ook in het gegeven dat Stalin, anders dan de visionaire Oostenrijker, ten opzichte van het Westen wist hoe ver hij kon gaan (Korea, Berlijn). Op binnenlands terrein gold dit helaas niet. Maar hoe uiteenlopend ook qua karakter, de Twee gaven blijk van een imposante vastberadenheid waar het de einddoelen betrof. Dit sloot overigens systematisch opportunisme bepaald niet uit. De climax daarbij werd uiteraard bereikt met het Stalin-Hitler pact.

Tijdens de jaren 1941-45, toen de Twee rechtstreeks met elkaar geconfronteerd werden, bleken beide zelfbenoemde opperbevelhebbers opnieuw verrassende gelijkenissen te vertonen, zij het in verschillende episodes. Zo kreeg Stalin zijn bekende zenuwinstorting als gevolg van Hitlers aanval op 22 juni 1941 en Hitlers wereld, en die van vele Duitsers, viel ineen na het debâcle bij Stalingrad, bijna twee jaar nadien. Typerend was dat beide weigerden op cruciale ogenblikken opdracht te geven tot een noodzakelijke terugtocht, waardoor honderdduizenden Russen en Duitsers zonder veel moeite krijgsgevangen werden gemaakt. Aan adviezen van militaire specialisten - en van deskundigen in  het algemeen - lieten ze zich zelden iets gelegen liggen. Ook niet wanneer ze gewezen werden op de grote aantallen slachtoffers in eigen gelederen. Meedogenloosheid heette nu eenmaal een 'revolutionaire deugd'. 

Toch was er ook hun angst voor hetgeen zij hadden aangericht. Toen Hitler bij toeval geconfronteerd werd met een trein vol gewonden die naast eigen trein halt hield, gaf hij opdracht de rolgordijnen neer te laten. Angst was er ook voor het moderne in de kunst en er bestond een grote afkeer voor originele ideeën in het onderwijs en ten opzichte van de behandeling van criminelen. Hitler deed in de jaren dertig de experimenten van de Republiek van Weimar te niet.

Stalin maakte eveneens korte metten met progressieve opvattingen uit de jaren twintig, de 'goede jaren' van het bolsjewisme. 'Origineel' was de tweeling bovenal, aldus Bullock, doordat zij hun ideeën ook werkelijk ten uitvoer brachten en dit op een wijze die slechts weinig tijdgenoten voor mogelijk hielden.

Hoe omvattend Bullock de vergelijking heeft aangepakt blijkt ook uit de informatie die hij weet te geven over beider privé- en seksleven, dat op een armzalig pitje flakkerde. Niet verwonderlijk wellicht, gelet op hun extreme narcisme.

Af en toe onderbreekt de auteur zijn chronologisch relaas om de lezer kort maar kundig op de hoogte te brengen van verscheidene in gang zijnde theoretische debatten, met name aangaande nazi-Duitsland: intentionalisme versus functionalisme[structuralisme], monolithisme tegenover polycratie en de Historikerstreit. Ook dat is een pluyspunt van het boek. Prettig is verder dat de vertaling goed leesbaar is. Dat Bullock minder vertrouwd is met de Stalin-discussie blijkt volgens mij uit het zonder enig voorbehoud volgens van Robert Conquest terwijl diens 'standaardwerk' al jaren achtereen onder flinke internationale druk staat van Ruslandspecialisten als J.Arch Getty en G.T.Rittersporn en anderen. Zo wordt Conquests berekening van de hoeveelheid slachtoffers  uit de Stalintijd zwak onderbouwd en wordt hem eenzijdig bronnengebruik en 'Stalin-fixatie' verweten.

 

Doel en methode

 

Allan Bullock ziet de voornaamste overeenkomst tussen hitlerisme en stalinisme in hun functie en methode. 'Net als de joden onder de nazi's werden de koelakken (of wie daar door een plaatselijke ambtenaar of een rancuneuze buurman als zodanig werd bestempeld) uit de samenleving gestoten en tot Untermenschen verklaard. In beide gevallen ging het er niet om wat een koelak of jood gedaan had, maar om het simpele feit dat ze waren wie ze waren: leden van een verboden klasse of ras wie alle mensenrechten ontzegd waren' (5). De algemene gelijkenis tussen beide systemen is des te frappanter omdat de Sovjet-Unie en Duitsland qua historische achtergrond en cultureel peil juist sterk verschilden.

Bullock signaleert ook een markant onderscheid. Bij Hitler was er nooit, anders dan bij het communisme, een tegenstelling tussen doelen en middelen. Hij schrijft: 'De verdorvenheid in de kern van de nazi-ideologie zat in haar doeleinden. Overheersing, slavernij en uitroeiing zijn zelf verdorven, en zullen elke beweging die ze nastreeft, te gronde richten. De verdorvenheid in de kern van de communistische ideologie zat in de middelen waarvan ze zich bediende. Sociale rechtvaardigheid, meer vrijheid en gelijkheid en het bestrijden van uitbuiting en vervreemding zijn nobele, menswaardige doelstellingen. Ze werden noodlottig gecompromitteerd door de onmenselijke methoden die in de uitvoering werden toegepast'(6).

De twee hoofdverantwoordelijken voor tientallen miljoenen (oorlogs)slachtoffers in de periode 1930-50 vormen een 'unieke tweeling'. Na lezing van de studie van Bullock kan een ieder op gedegen gronden voor zichzelf vaststellen welk van deze twee woorden de meetse nadruk verdient.


Noten

1. Allan Bullock, 'Is history becoming a social science?' The case of contemporary history. The Leslie Stephen lecture (1976).

2. Alan Bullock, Hitler - Eine Studie über Tyrannei (1977), pp. 793-794.(Epiloog).

3. Alan Bullock, Hitler en Stalin; Parallelle levens (1991) (Oorspr. Hitler and Stalin; Parallel lives (1991).

4. Parallelle levens, p.xiii.

5. Ibidem, p. 292.

6. Ibidem, p. 440.



 














woensdag 1 juli 1992

WORTELS VAN DE SHOAH

n.a.v. H.W. von der Dunk, Voorbij de verboden drempel. De Shoah in ons geschiedbeeld (1990).

In: Spiegel Historiael, juli/augustus 1992.

Otto van de Haar


Nazi-Duitsland heeft in het bijzonder de verantwoordelijkheid te dragen voor de moord op ten minste 6 miljoen Europese joden. Daarover bestaat een brede consensus. maar over de oorzaken van de holocaust lopen de opvattingen van historici en niet-historici sterk uiteen. Datzelfde geldt voor de plaats ervan in ons geschiedbeeld. In Voorbij de verboden drempel (Amsterdam 1990) heeft historicus Hermann von der Dunk zijn positie hierover nader bepaald.
 

 


Was 'Auschwitz' de logische, uiterste consequentie van een eeuwenoud antisemitisme? Of ligt de oorzaak in het feit dat de moderne, 20ste-eeuwse totalitaire staat altijd terreurobjecten en concentratiekampen nodig heeft om te kunnen functioneren? Dit laatste impliceert dan dat de joden voor Hitler en het nationaalsocialisme in principe een uitwisselbare (bevolkings)groep vormden.
In hoeverre is de specifieke Duitse geschiedenis van invloed geweest? Ten slotte zijn er nog de sensationele, maar geïsoleerde thesen van Ernst Nolte. Deze Berlijnse filosoof en historicus beweerde in de beginfase van de roemruchte Historikerstreit dat de nationaalsocialistische moord op de joden een 'reactie' was op de Russische Goelag. Hitler zou zo onthutst zijn geraakt door de daar heersende 'joods-bolsjewistische' gruwelen dat hij tot de Endlösung overging. Verder was Nolte van mening dat Hitler in 1939 gerechtigd was de joden in Duitsland te interneren aangezien Chaim Weizmann, voorzitter van het Joods Wereldcongres, kort na de Duitse inval in Polen (september 1939) had gesteld dat de joden aan de zijde van Engeland zouden vechten. Hiermee suggereert Nolte dat niet de nazi's maar de joden zelf hun eigen ondergang veroorzaakten. Over dit laatste is Von der Dunk kort en duidelijk. Nolte haalt op onaanvaardbare wijze oorzaak en gevolg door elkaar, en met zijn - op zichzelf legitieme - 'verstehende Geschichtsbetrachtung' is hij op dit punt wel erg ver in de huid van Hitler gekropen.
Ten opzichte van deze kleine waaier van problemen en verklaringen heeft H.W. von der Dunk zijn uit 1990 daterende boek zijn stelling betrokken. Soms door uiteenlopende visies bij elkaar te brengen, dan weer door een explicite verwerping van bepaalde opvattingen, vooral inzake Nolte. Ook beargumenteert Von der Dunk zijn zienswijze met betrekking tot de klemmende vraag of de judeocide een 'uniek verschijnsel' was, of dat zij niet of nauwelijks verschilt van andere massamoorden. 'Ik ben tegen de uniciteitsthese', vertelde hij in een vraaggesprek. 'Ik geloof wel dat de Shoah (...) de meest absurde is, omdat daarbij ieder rationele verklaring ontbreekt, tenzij je inderdaad racist bent'.(Skript, voorjaar 1991). Het boek is een combinatie van wetenschappelijkheid en engagement met de slachtoffers wier tragische dood eigenlijk niet te beschrijven valt.

Eeuwenoud antisemitisme

In het werk van Von der Dunk wordt ingegaan op de voorwaarden die het antisemitisme door de eeuwen begunstigden. De schrijver geeft er overigens de voorkeur aan voor wat betreft de oudheid en de middeleeuwen vanwege het toen geldende godsdienstige criterium te spreken over anti-judaïsme. Dit ter onderscheiding van het 19de- en 20ste-eeuwse rasbegrip van semitisme, wat een nieuw dimensie inhield.
Het duurde tot de 11de eeuw voordat het tot werkelijke grootschalige bloedige terreurdaden tegen joden kwam. Hiervoor is meer nodig dan de altijd wel aanwezige etnofobie en de bekende wij-zij tegenstelling: sociale verschuivingen, algemene crises, grote angsten en diepgaande onrust (de pest, de kruistochten). De auteur beklemtoont overigens dat de religieus-culturele stereotypering niet uitsluitend door de toenmalige dominante christelijke bevolking geproduceerd werd, maar ook door de joodse minderheid zelf: 'het jodendom had van zijn kant eveneens een voorstelling van goddeloze, onreine vijanden geheel volgens de in het oude Oosten gangbare religieuze maatstaven als cement van de eigen saamhorigheid in het geloof gecultiveerd. Over zijn vijanden riep het joodse volk de vervloeking van Jaweh af, die zijn tegenstanders moest verbrijzelen, zoals het Oude Testament op talloze plaatsen leert".
Naast deze wederkerigheid brengt Von der Dunk herhaaldelijk onder de aandacht dat tegelijkertijd ook ander 'doelgroepen' aan vervolging blootstonden, soms zelfs in heviger mate. Daar staat echter tegenover dat joden altijd op de 'repressielijst' stonden, terwijl anderen nog weleens de dans ontsprongen. Soms werd deze vervolging bewust gestuurd van hogerhand, soms onsystematisch van onderop uitgeoefend.

Nationalisme

De verlichtingsidealen, het rationalisme en de Franse Revolutie brachten verandering in de joods-christelijke tegenstelling en de weg leek vrij voor de emancipatie van de joden. Veel liberalen onder hen hadden in de loop van generaties hun taal en materiële leefwijze aangepast. De algemene lotgevallen van hun land van verblijf hadden zij bewust of onbewust de hunne gemaakt. Het 19de-eeuwse nationalisme echter, dat sterk was beïnvloed door de anti-kosmopolitische romantiek met haar idee van de 'natuurlijke onverwisselbare volksaard', bracht een kentering teweeg. Jodenhaat werd nu als het ware een bewijs voor een stoer geprononceerde nationale gezindheid. Als 'wetenschappelijke' basis fungeerde het vulgair-darwinisme (survival of the fittest, selectie door strijd, verbetering van de soort) met zijn biologistisch-racistische gevolgtrekkingen die iedere assimilatie uitsloten. Hoezeer dit nationalisme in zwang was, blijkt uit het feit dat ook het 19de-eeuwse zionisme - op zichzelf een reactie op het Europese antisemitisme en nationalisme - biologistisch-darwinistische concepties overnam en koesterde. 'De gedachte van een eigen joodse natie berustte op het axioma vaneen eigen ras, dat daarom een versmelting met de Europese naties verbood'. In het licht van het aanzwellende antisemitisme achtten de zionisten het assimilationisme een illusie en opperden de idee van een eigen staat in 'het beloofde land', Palestina. De orthodoxe joden op hun beurt waren zowel gekant tegen assimilatie als zionisme: eerst moest 'de komst van de Messias' worden afgewacht.
Von der Dunk neemt erg veel ruimte om het historisch antisemitisme uiteen te zetten, maar de opvatting dat deze eeuwenoude periodieke vervolging een soort aanloop was die logisch uitmondde in de judeocide wijst hij af. Waarom hier dan toch zoveel aandacht aan besteed wordt, blijft onduidelijk. Ten eerste hadden de nazi's meer 'minderwaardige mensentypes' op hun lijst staan, zoals de zigeuners. Ten tweede was het 'vroege antisemitisme' wel op discriminatie en erger gericht geweest, maar niet op totale fysieke vernietiging, mede omdat de toenmalige machtsmiddelen van de staat dit niet toelieten.
Vergeleken met het antiliberale, op russificatie gerichte beleid van tsaar Alexander III, dat na 1881 tot felle pogroms had geleid in Polen en in Oekraïne, waren de joden in Duitsland minder slecht af. Wel waren zowel daar als in het land van de Dreyfusaffaire extreem antisemitische schrijvers actief. Hoewel door hen openlijk werd gezinspeeld op de verdelging van de 'bedreigende joden', stelt Von der Dunk dat dit echter geen dominant maatschappelijk verschijnsel was.

Hitler

Pas de verschrikkingen van de eerste wereldoorlog - beter gezegd, het schokeffect van en vooral de wrok over de smadelijke nederlaag - droegen ertoe bij dat de gefrustreerde nationalistische gelovigen in Duitsland de joden extra onder vuur gingen nemen. In dit klimaat hadden Hitler en zijn partij hun basis. De persoonlijke rol van de dictator moet niet onderschat worden, zoals dat wel door marxisten is gedaan: Hitler als een in principe vervangbare klassebepaalde vertegenwoordiger van het grote kapitaal. Zijn betekenis voor Duitsland was evident. Zijn positie was tamelijk onbetwist en hij was tenslotte, anders dan Stalin, de grondlegger van zijn beweging. Overschatting van de 'nationale redder' is eveneens misplaatst. Daarvoor was het aantal bereidwilligen in Duitsland en daarbuiten nu eenmaal veel te hoog.
In tegenstelling tot Rusland slaagden de conservatieven in Duitsland erin de militaire nederlaag en de teloorgang van het oude keizerrijk af te wentelen op de joods-bolsjewistische 'novemberverraders' (1918). Het is bekend dat verschillende joodse figuren als Luxemburg, Liebknecht (niet joods) Eisner en Landauer - allen omgebracht door rechtse tegenstanders - tijdens de semi-revolutionaire gebeurtenissen na de oorlog een prominente rol speelden. Volgens Von der Dunk was een groot deel van de bevolking, met inbegrip van de sociaaldemocratie, bevangen door het schrikbeeld van een rode revolutie. Hadden in Rusland immers ook niet joden, zoals Trotski, zich als revolutionairen in de schijnwerpers geplaatst? Dat de meerderheid van de joden zich in Duitsland bleef oriënteren op de gematigde sociaaldemocratie en het liberalisme, werd gemakshalve genegeerd. Hier mag nog aan toegevoegd worden dat juist het feit dat joden zich in de marxistische beweging deden gelden, eerder wijst op secularisatie (of 'ont-joodsing', zo men wil). Om nog maar te zwijgen dat de bolsjewiek Stalin een aantoonbaar anti-joodse politiek heeft gevoerd.
Het is zeer wel mogelijk dat de joden en communisten hatende Hitler - hij verklaarde beide groepen identiek - de interne en externe woelingen gretig in zich opnam en dat dit zijn obsessieve ideeën mede vorm gaf. 'Maar', aldus Von der Dunk, 'de predispositie was al aanwezig. Daarom was zijn receptie ook eenzijdig'. Of pleegden de Witten en de contrarevolutionairen geen gruweldaden? Volgens de schrijver vielen er in Duitsland tussen 1919 en 1923 door het politieke geweld 376 slachtoffers waarvan extreemrechts er 354 voor haar rekening nam en linkse ultra's de rest op hun geweten hadden. Wie bedreigt wie, is hier een toelaatbare vraag.
Als er al gezocht moet worden naar een buitenlandse oorzaak van de Shoah - zoals Nolte dat doet door te wijzen op de Goelag - waarom zou Hitler dan niet Symon Petljoera als voorbeeld hebben genomen? De Oekraïense leider vermoordde tijdens de Russische burgeroorlog joden in weerzinwekkende slachtpartijen. Von der Dunk meent dat Hitler hier zijn model vond: 'een man die de bolsjewieken bestreed door joden te vermoorden'. Hij geeft voor deze constructie geen empirisch bewijs.
Maar ook Ernst Nolte is zijn lezers op het gebied van de bewijsvoering nog veel verschuldigd. De reden dat de Berlijnse hoogleraar zich nogal eenzijdig concentreert op de stalinistische Goelag - waarop 'Auschwitz' een reactie zou zijn - ligt in diens veronderstelling dat het anticommunisme de kern was waar het nationaalsocialisme omheen cirkelde. Von der Dunks zoektocht naar de wortels van de Shoah oogt veelzijdiger, ook omdat hij Duitse factoren als de militaristische  traditie, het taboe op seksualiteit en het strenge plichtethos onderstreept
Het staat voor Von der Dunk als een paal boven water dat de miljoenenmoord op de Europese joden onmogelijk plaats heeft kunnen vinden buiten medeweten van de racist Hitler, zoals een enkele auteur wel heeft beweerd. Het is nu eenmaal een feit dat zowel Mein Kampf (1925) als Hitlers redevoeringen en persoonlijke mededelingen dikwijls doortrokken waren van een virulent, wraakzuchtig en dreigend antisemitisme. Ook de concrete, steeds scherper wordende anti-joodse wetten en maatregelen na de machtsovername in 1933 (isolatie, stigmatisering, onteigening, deportatie) maakten de Endlösung dan wel niet onvermijdelijk, maar bracht hem wel dichterbij.
Desalniettemin blijft de vraag legitiem of binnen het nationaalsocialisme van Hitler het anti-joodse element niet veel meer gezien moet worden als instrument om de positie van de machthebbers te consolideren en minder als geloofsleer. Er is wel wat voor te zeggen want voormalige totalitaire staten als Duitsland en de Sovjet-Unie ontwaarden voortdurend haatobjecten en externe en interne 'vijanden'. In Duitsland waren dit behalve 'de jood', de Polen, de Russen en anderen. In het land van Stalin moesten de boeren, de bourgeoisie, de nationalisten, de mensjewieken en de trotskisten vermorzeld worden.
Naar het inzicht van Von der Dunk is bovenstaande tegenstelling tussen ideologie en machtsinstrument inzake Duitsland echter niet reëel, maar kunstmatig: 'Dat het antisemitisme [...] een inherent geloofsartikel van de nationaalsocialistische leer was, met name voor Hitler zelf, betekent nog niet dat het niet tevens als instrument werd gehanteerd om de wij-groep, de volksgemeenschap en het systeem te consolideren'.

Onmisbare schakel

Bij de beantwoording van de ingewikkelde vraag naar de oorzaak van de judeocide brengt Von der Dunk vooral het laat-19de-eeuwse vulgair-darwinisme en biologistisch determinisme naar voren. Onderdeel van dit laatste was de zogenaamde eugenetica, die een 'wetenschappelijke oplossing' beoogde voor degeneratie en overbevolking door uitschakeling van erfelijke ziekten en geestelijke afwijkingen. De weg naar Hitlers racistisch nationalisme was al niet ver meer.
Cruciaal acht de schrijver het radicale geloof in 'de maakbaarheid van de menselijke soort'. Dit echter kreeg pas een kans door de verschrikkingen van de eerste wereldoorlog, die de geweldsdrempel fundamenteel verlaagden. Als gevolg van deze catastrofe viel het oude normen-en-waardenstelsel van de gediskrediteerde burgerij uiteen. De op drift geraakte menigten reageerden op de ontstane crisis en zagen verlangend uit naar nieuw geboden zekerheden. De moderne totalitaire dictaturen in Duitsland en de Sovjet-Unie - maar ook elders in Europa vonden pogingen plaats - vonden hierin hun basis, waarbij zij gebruik maakten van de moderne beheersinstrumenten. Von der Dunk: 'Het was de verleiding, de hybris van een totale maakbaarheid van mens en samenleving met de moderne machtsmiddelen, die een onmisbare schakel blijft bij de verklaring waarom het tot de Shoah kon komen'.
Aan de ene kant was het Duitse nationaalsocialisme dus een onderdeel van een veel bredere en algemenere totalitaire heroriëntatie van de maatschappij op het continent. Anderzijds zijn de ontstaansgronden, doctrine en stijl van Hitlers moorddadige regime verbonden met de geschiedenis van Duitsland.
Als er één punt is waarover Von der Dunk heeft getwijfeld, dan is het de vraag naar het al of niet unieke karakter van de judeocide. Enerzijds beargumenteert hij dat andere massamoorden in het verleden zich voltrokken langs andere lijnen. Zij verliepen ofwel volgens een etnisch religieus criterium (zoals bij de Armeniërs) ofwel op grond van een politiek-sociale selectie (bijvoorbeeld in de Sovjet-Unie). Bij de joden daarentegen gold een biologistisch-racistische norm. De absurditeit is hiermee inderdaad ten top gestegen.
Verder wijst Von der Dunk op de stuitende machinaal-technische methode van de nazi's. Toch wordt in de conclusie van Voorbij de verboden drempel uiteindelijk geen aparte status voor de Shoah bepleit. Daarvoor vindt hij het verschil in de praktijk met de omgebrachte zigeuners, homoseksuelen, Poolse intellectuelen en Russische gevangenen te gering, binnen het Derde Rijk, maar ook daarbuiten.
Terecht wordt dan ook de vinger gelegd op het op sociale vernietiging gerichte, onmenselijke terreur- en Goelag systeem van het stalinistisch communisme. En als zijn literatuurkeuze minder (West)eurocentrisch en gearriveerd was samengesteld, had de emeritus hoogleraar vast ook stilgestaan bij de vele miljoenen zwarten en indianen die werden omgebracht. Wat is tenslotte 'ons geschiedbeeld'? Hoe dit alles precies zij - het debat hierover duurt voort - , Vonder Dunk is het gelukt op een verhalende en analytische wijze de complexiteit van de Shoah zichtbaar te maken. Dat hij zich hierbij soms liet verleiden tot een niet al te adequate uitweiding, in onvermijdelijk. 

Otto van de Haar










maandag 1 juni 1992

DE GESCHIEDENIS TE BOVEN KOMEN

Door Otto van de Haar.
In: De Internationale, juni 1992, nr 43

 
 
Hannah Arendt, zelf nadenken - Ferry Maidman
 
 
 
 
Hannah Arendt (1906 - 1975)

 
Iemand die al in een voeg stadium met het totalitarisme als geheel had afgerekend, was de geëngageerde filosofe Hannah Arendt, een van de meest intelligente vrouwen van de twintigste-eeuwse westerse wereld. Het is zinvol om stil te staan bij haar ervaringen en analyses van het totalitarisme, vooral ook omdat zij - hoewel soms wat romantische - politieke alternatieven lanceerde. Haar waardering voor zowel de Amerikaanse Revolutie als de Europese radenmacht vormden hierbij een originele combinatie. Het ging haar om een radicale verdediging van politieke en persoonlijke vrijheid en pluriformiteit - waarden die in het Europa van Hitler en Stalin volledig waren vertrapt. Met haar werk deed Arendt een deels succesvolle poging om de macabere geschiedenis van het totalitarisme te boven te komen.

Toen de door beide supermachten ingezette Koude Oorlog zijn eerste climax bereikte in 1951, publiceerde de van oorsprong Duits-Joodse filosofe Hannah Arendt in de Verenigde Staten haar boek The Origins of Totalitarianism. Zowel voor als na haar hebben auteurs met uiteenlopende visie zich over dit thema gebogen, maar geen van hun publicaties bereikten bij benadering de oplage van die van Arendt. Haar gedreven maar tegelijkertijd gedistantieerde stijl was hieraan niet vreemd. Het meer dan vijfhonderd pagina's tellende werk getuigde van een enorme belezenheid en een vermogen tot generalisatie. Het werd in vele talen vertaald, helaas niet in het Nederlands. [In 2017 zijn onder de titel 'Totalitarisme' gedeeltes van de The Origins of Totalitarianism in vertaling verschenen]. Het plan voor dit boek was geleidelijk gegroeid en hing direct samen met haar persoonlijke leven, dat van een joodse emigrante. Kort na de Rijksdagbrand in februari 1933 was Hannah Arendt - die in de jaren  twintig bij Heidegger en Jaspers had gestudeerd - nog in staat geweest enkele door de Gestapo vervolgde communisten onderdak te verschaffen, maar al gauw zag zij zich als Jodin gedwongen uit te wijken naar het nog vrije Frankrijk. Daar zette zij zich actief in om de Joodse vluchtelingen voor te bereiden op een in leven in Palestina. Een fanatiek zionist is ze overigens niet geworden. Reeds bij de stichting van Israël in 1948 wees ze op de noodzaak van een binationale staatsvorm, voor Joden en Palestijnen.
In Parijs ontmoette ze de eveneens gevluchte Duitse Spartakist Heinrich Blücher die met zijn praktische ervaringen uit de 'radenrepubliek' in 1918-1919 en door zelfstudie (Luxemburg, Marx, Trotski) een niet te onderschatten politieke invloed op Arendt uitoefende. Met hem zou ze in 1941 naar de Verenigde Staten vluchten en een band behouden die vaak innig was. In 1975 overleed zij in New York.
Behalve het antisemitisme, dat ook in Frankrijk op flinke steun kon rekenen, was een minstens zo belangrijke impuls tot de samenstelling van haar totalitarismeboek de schrikbarende onthullingen over Hitlers concentratie- en vernietigingskampen. Deze kwamen in de slotfase van de Tweede Wereldoorlog, maar vooral na afloop ervan in de volle openbaarheid, zoals tijdens de Neurenberg-processen en in herinneringen van overlevenden. De nazi's waren niet alleen 'gewone' continentale, imperialistische agressors geweest die met militaire middelen een herverdeling van Europa hadden nagestreefd; de oorlog bleek gevoerd tegen een regime dat een zinloze genocide had aangericht. Dat mede door de nodige kritiek op haar boek en het beschikbaar gekomen materiaal uit de Sovjet-Unie na Stalins dood in 1953, in latere edities van The Origins of Totalitarianism  ook de Russische dodenkampen veel duidelijker in haar analyse werden betrokken, was logisch en onvermijdelijk.

Terreur...
 
Afbeeldingsresultaat voor hannah Arendt
 

Volgens Arendt waren de terreur en de ideologie de meest relevante karakteristieken, die dit nieuwe type totalitaire samenleving onderscheidde van traditionele despotische en tirannieke regimes.
In de tweede helft van de jaren veertig verschenen in het Westen onthullende memoires van overlevenden uit Hitlers en Stalins concentratiekampen, zoals die van Eugen Kogon 'Der SS-Staat', David Roussets 'Les jours de notre morts' en over de Sovjet-Unie 'The dark side of the moon' van Zoe Zajdlerova. Het beeld dat opdoemt uit deze herinneringen was, aldus Arendt, dat van het absolute isolement en de verlatenheid. Dit kwam omdat de kampen effectief aan het oog van de rest van de maatschappij onttrokken waren. Alles was er mogelijk, zo bleek. Nadat de arrestanten allereerst ontdaan waren van hun juridische status, volgde al snel de vernietiging van hun morele en individuele persoon.
Een ander kenmerk was de volstrekte willekeur in de uitroeiingskampen. Men stierf er door systematische tortuur of honger of men werd omgebracht als zijnde 'overtollig'. Dit laatste gebeurde als de kampen overbevolkt raakten door de aanhoudende toestroom van de leden de 'ondergaande klassen' en 'ondermaatse rassen'. Hannah Arendt schreef: 'Hier is moord even onpersoonlijk alsa het doodslaan van een mug'. Een willekeur die zich uiteraard ook manifesteerde in de rest van de maatschappij. Wat er bestond aan rechtsregels onder Hitler en Stalin was van weinig betekenis. Want de totalitaire leiders zeiden in wezen te gehoorzamen aan de onverbiddelijke 'hogere wetten' van de Natuur dan wel de Geschiedenis. In hoeverre deze Führers er zelf in geloofden, blijft ook vandaag een punt van discussie.
Nikita Chroesjtsjov - die mede onder druk van onderop verordonneerde dat in de jaren vijftig ettelijke miljoenen de kampen konden verlaten - werd eens gevraagd hoe hij zelf deze willekeur had overleefd. Zijn antwoord was veelzeggend: "Ik was een lotje uit de loterij".
Een laatste kenmerk van de concentratiekampen was volgens Arendt dat de werkzaamheden er uitmunten in nutteloze en zinloze energieverspilling. Normaal georganiseerd werk zou namelijk een veel hogere productiviteit te zien hebben gegeven. Slechts in uitzonderlijke gevallen kwam er een bevel van de oppermachtige geheime staatspolitie om het 'sterftecijfer' te drukken wegens een acuut tekort aan arbeidskracht in de (oorlogs)productie.
Dwangarbeid en verbanning, zoals we die kennen uit niet-totalitaire maatschappijen zijn weerzinwekkend genoeg. Maar hierbij was in het eerste geval nog sprake van een beperkte tijdsduur en intensiteit en de verbanningsoorden werden tenminste nog bewoond door andere mensen. De slaven in de Oudheid, aldus Arendt, waren evenmin geïsoleerd van de overige bevolking, wat hen in elk geval een minimum aan sociale controle en bescherming bood. Daarbij kwam dat de slaven nog een minimale marktwaarde vertegenwoordigden. Dit alles was afwezig in de 'laboratoria van de totale overheersing' van Himmler en Beria. Het was alsof de kampen en de ingezetenen niet meer tot deze wereld behoorden.
Concentratiekampen als zodanig bestonden zoals bekend allang voor Hitler en Stalin in het zadel zaten, zoals in India, in Zuid-Afrika en in Frankrijk na de Spaanse Burgeroorlog. Maar deze kampen waren volgens Arendt alleen vergelijkbaar met de beginfase van het totalitarisme, dat wil zeggen in de Sovjet-Unie voor 1930 en in Duitsland voor 1938.
Wat zich evenwel na genoemde data, tijdens het hoogtepunt van het totalitarisme afspeelde in de dodenkampen was onbevattelijk, aangezien het niet aansloot bij traditionele criteria. Hannah Arendt concludeerde dat deze vorm van totalitaire dominantie precedentloos was in de geschiedenis (1).

 ...en ideologie.

Afbeeldingsresultaat voor hannah Arendt


 Eveneens dwingend was haar betoog over de andere kant van de totalitaire medaille: de ideologie. Hoewel er tussen beide systemen verschillen bestonden - iets wat Arendt in tegenstelling tot historicus Alan Bullock in zijn Hitler en Stalin. Parallelle levens - volstrekt niet uitwerkt - ambieerden beiden de volkomen onderwerping van het individu in een wereldomvattende orde. Dat was naar haar mening de kern van de overeenkomst. Daartoe was een nietsontziende strijd nodig tegen een vermeende internationale samenzwering die het Duitse volk dan wel de Russische arbeidersklasse de das om dreigde te doen. Vervalste protocollen en dito processen fungeerden als fundament van legitimatie en mobilisatie.
Een ander punt dat Arendt frappeerde in de totalitaire ideologie was het anti-utilitaire, irrationele element. Terwijl Duitsland een oorlog voerde op twee fronten, gingen de treintransporten met 'schadelijke rassen' onverminderd door, hetgeen een Duits militair succes bemoeilijkte. En de vervolgingen in de Sovjet-Unie onder Josef Stalin begonnen pas werkelijk op gang te komen toen de reële tegenstand in feite al niet meer bestond. Dit anti-utilitaire aspect werd volgens haar lange tijd in het Westen niet begrepen.
In één opzicht waren de twee systemen stabiel: in het permanent voortbrengen van 'overtollige mensen', met als eindoplossing de kampen. Met een tit dan toe gebruikelijke, traditionele raison d' état had dit volgens Arendt niets meer uitstaande.

Kritiek

Zoals al aangegeven oogstte het uit drie delen bestaande werk bij verschijnen veel bijval. Toch werden er ook duidelijke bezwaren gehoord. 
Vrijwel eensluidend werd gesteld dat het boek erg onevenwichtig in  elkaar stak. Dat had alles te maken met haar aanvankelijke concentratie op de oorsprong en de  elementen van het nazisme. Het eerste deel droeg dan ook als titel 'antisemitisme' en het tweede ging over het (Britse) 'imperialisme'. Beide fenomenen, die in het laatste kwart van de negentiende eeuw hun moderne vorm hadden gekregen, mondden ten slotte uit in Hitlers 'racistisch imperialisme', het derde deel. Pas in een later stadium verving zij dit laatste deel door de term 'totalitarisme', waarbij ook de Stalin-tijd terecht betrokken werd. De nazistische variant van het totalitarisme was, al met al, van een diepere historische achtergrond voorzien. Het feit dat haar concentratie vooral Hitler-Duitsland gold heeft volgens mij ook te maken met haar enigszins linkse achtergrond. Hannah Arendt heeft dit laatste altijd ontkend.
Een ander punt van kritiek luidde dat Arendts kennis van de Sovjet- economische geschiedenis te wensen overliet. Ze zou ten onrechte het eerste vijfjarenplan (1928-1933) als een 'krankzinnigheid' hebben afgewezen. Maar Arendt bleef bij haar standpunt. Waar het om ging was dat dat economische factoren van geringe betekenis waren voor een verklaring van het totalitarisme en de dodenkampen.

Pluraliteit
 
Dat het bekrompen, racistische en imperialistische denken ten slotte kritalisseerde in de nazi-ideologie en haar eindpunt vond in Auschwitz en Treblinka was voor Arendt, terug redenerend, een logische ontwikkeling.
Aanzienlijk ingewikkelder was het gesteld met de revolutionair Karl Marx en diens volgelingen. Immers, voor haar behoorde de invloedrijke 19de-eeuwer tot 'de grote traditie van het Europese denken'. Waarom dan toch- langs de weg van het bolsjewisme ('marxisme-leninisme') - de ontsporing van het stalinisme in de Sovjet-Unie? Het schijnt dat Hannah Arendt deze tegenstrijdigheid nooit afdoende wist te verklaren.
Wat ze wel deed was het blootleggen van enkele 'totalitaire trekjes' in het denken van Karl Marx, zoals zijn onvoldoende aandacht voor het werkelijk funderen van het begrip vrijheid en zijn deterministische geschiedopvatting.

Als er iets was wat tijdens de regimes van Hitler en Stalin in de periode 1930-1953 met wortel en tak was uitgeroeid dan was het wel vrijheid en pluraliteit. Het was dan ook geen toeval dat Arendt juist deze begrippen van cruciaal belang achtte en hiervoor op de bres sprong. Geen enkele serieuze politieke theorie kon hierover onbezorgd zijn. Zonder gefundeerde en geïnstitutionaliseerde vrijheid en pluraliteit was het politieke leven zinloos. De raison d'être, het bestaansrecht van de politiek is vrijheid, schreef ze, en deze vrijheid wordt vooral ervaren tijdens het handelend, creatief optreden, samen met anderen, in de politieke arena. Vrijheid betekende voor Arendt het vermogen om een nieuw begin te maken. Dit alles was onder het totalitarisme verloren gegaan, aangezien het menselijk handelen er teruggebracht was tot voorspelbare, geconditioneerde reacties. Een niet centralistische, federatieve structuur (als associatie op basis van gelijkwaardigheid) bood de beste waarborg om deze pluraliteit te vestigen.
Wat Arendt hekelde in de visie van Marx was diens preoccupatie met het verschijnsel (de mens als) arbeidskracht, de klassenstrijd en de productieverhoudingen. In haar boek On Revolution uit 1963 ging ze zelfs zover om Marx een 'bezeten zijn van de sociale kwestie' te verwijten. Niet alleen Marx trouwens maar ook mensen als Maximilien Robespierre en Lenin. Hun fixatie op de sociale kwestie had volgens haar tot een onderwaardering geleid van de noodzaak tot het institutionaliseren van politieke vrijheid en pluraliteit. Er was een onwil geweest om serieuze aandacht te geven aan kwesties van staatkunde en bestuur. Nog een 'totalitair trekje' bij Marx was diens gedetermineerde (en dus niet vrije) geschiedopvatting. Het was waar dat ook Marx het actieven en tot verandering leidende optreden waardeerde maar deze acties waren in wezen steeds gekoppeld aan een vaststaand schema hoe de Geschiedenis zich zou ontwikkelen. Het is niet moeilijk in te zien dat een voorspelde en vaststaande toekomst weinig te maken heeft met toeval, spontaniteit en een werkelijk vrij optreden van mensen. Ook al werd dan 'de Vrijheid' in het vooruitzicht gesteld.
En  ze kwam in On Revolution tot de conclusie: 'Marx' plaats in de geschiedenis van de menselijke vrijheid zal altijd dubbelzinnig blijven'. Grof samengevat: ze suggereerde hiermee een gedeeltelijke verklaring gevonden te hebben voor de terreurfase van de Franse en Russische revolutie. Dit was des te schrijnender omdat de uiteindelijke rechtvaardiging van beide Europese revoluties naar haar mening juist was gelegen in het vrijheidsperspectief.
Met instemming citeerde ze de door haar hogelijk gewaardeerde Rosa Luxemburg. Die had zich in haar fameuze brochure 'De Russische Revolutie' uit 1918 zeer kritisch uitgelaten over Lenin en Trotski die het met de politieke vrijheid niet zo nauw namen: 'Zonder algemene verkiezingen, zonder onbeperkte vrijheid van drukpers en vergadering, zonder een vrije uitwisseling van meningen dooft het leven uit in iedere openbare instelling, wordt het een soort spiegelbeeld van het leven, waarin alleen de bureaucratie als actief element blijft bestaan. Het openbare leven slaapt langzamerhand in, een paar dozijn partijleiders met onuitputtelijke werkkrachten  grenzeloze ervaring besturen en regeren. In werkelijkheid doet maar een dozijn uitstekende koppen het eigenlijke werk, en een elite uit de werkende klasse wordt van tijd tot tijd uitgenodigd om...te applaudisseren voor de toespraken van de leiders, en om voorgestelde resoluties unaniem te aanvaarden - een echte kliek dus, in wezen...'

De Amerikaanse Revolutie
 
 
 
Afbeeldingsresultaat voor hannah Arendt
 
Arendts politieke theorie - die zij vaak met grote stelligheid naar voren bracht - steunde ook op haar interpretatie van de Amerikaanse Revolutie. Volgens hadden de founding fathers, de opstellers van de Amerikaanse Grondwet, die zij erg bewonderde, wel een goed oog gehad voor het constitueren van vrijheid in een federatieve structuur.
Door scheiding en 'balancing' van machten. Dat zij dit kónden doen kwam mede doordat de sociale misère in het 18de-eeuwse Amerika veel minder was dan in het Europa van de Franse en Russische Revolutie. Uiteraard gold de misère wel degelijk de Amerikaanse zwarte slaven, die anno 1750 zo'n twintig procent van de totale bevolking uitmaakten. Arendt sprak in On Revolution over 'abjecte en onterende ellende'. Maar zij betoogde dat dit gegeven noch door de Amerikaanse tijdgenoten (zoals de founding fathers), noch door Europese ooggetuigen in die tijd gezien werd als een serieus onderdeel van de sociale kwestie. Een erg bevredigende redenatie is dit niet.
 
De Amerikaanse revolutionairen hoefden evenmin te ageren tegen de kerk, het leger, de adel of tegen een absolutistische vorst. Wel moesten zij zich losrukken van het imperialistische moederland. Hoe dan ook, in haar boek On revolution betreurde ze het dat niet de Amerikaanse, maar de Franse Revolutie als inspiratiebron had gefunctioneerd voor de Russische revolutionairen, en dat de Russische Revolutie op haar beurt omwentelingen elders in de wereld had beïnvloed.
Toen Arendt in 1941 in de Verenigde Staten arriveerde, werd ze niet gedwongen tot assimilatie en was ze in staat haar culturele identiteit te behouden. Dit gegeven heeft ook zeker een rol gespeeld bij haar, we mogen wel zeggen, geïdealiseerde kijk op de revolutie in de Nieuwe Wereld.

Dat verhinderde haar niet zich te kanten tegen het barre optreden van senator Joseph McCarthy die aan de hand van grove intimidatie en halfgare processen wenste vast te stellen wie 'objectief communistisch' was en dus 'on-Amerikaans'. Ook was ze het niet oneens met diegenen in de Amerikaanse politiek die 'Vietnam' en 'Watergate' liefst zo snel mogelijk wenste te vergeten. In haar totalitarisme boek maakte ze duidelijk dat de nazi's beïnvloed waren door de methoden van zowel de Amerikaanse gangster-organisaties als door het agressieve Amerikaanse reclamewezen met haar monopoliedromen. Ook al geen compliment voor de Nieuwe Wereld. En ten slotte ergerde ze zich aan het sociale conformisme in de Verenigde Staten.
 
Raden 
 
 
Afbeeldingsresultaat voor hannah Arendt
 
Arendts antitotalitaire verdediging van politieke vrijheid en pluraliteit omvatte ook de radenmacht. Dit was volgens haar een fenomeen dat op een even lange geschiedenis kon bogen als de moderne politieke partijen.
Op de Hongaarse Opstand van 1956 bijvoorbeeld reageerden zij en haar vriend Heinrich Blücher met enthousiasme. In een brief aan een vriend, de Duitse filosoof Karl Jaspers, schreef ze op 26 december van dat jaar: 'Het lijkt me dat het (de opstand, ovdh) nog steeds niet ten einde is, en hoe het ook afloopt, het is zonder meer een overwinning voor de vrijheid. Daarbij opnieuw, zoals bij alle spontane revoluties van de laatste honderd jaar, het spontane opduiken van een nieuwe staatsvorm in de dop, het radensysteem, dat de Russen dusdanig verkracht hebben, dat vrijwel niemand nog begrijpt, wat het eigenlijk is'.
In Boedapest, maar ook elders in het land, ontpopte zich een beweging als alternatief voor het totalitarisme, dat zich spoedig na het einde van de Tweede Wereldoorlog in de zogenaamde volksrepublieken had ontwikkeld. Ze werd gekenmerkt door zich spontaan vormende buurschapsraden, raden van arbeiders, raden van ambtenaren, kunstenaars en jongeren en raden in het leger, die tezamen optraden ter wille van de vrijheid. Wat Arendt erg aansprak in deze revolte was de afwezigheid van staatsgreep technieken en het ontbreken van interne controle door politieke partijen. In de Hongaarse opstand, die helaas van korte duur was en met dictatoriale geweldsmiddelen door Moskou werd onderdrukt, ontwaarde Arendt het door haar beklemtoonde vrije en spontane handelen op voet van gelijkheid. Het deed haar kort stil staan bij eerdere radensystemen in de Europese geschiedenis: tijdens de Parijse Commune van 1871, de Duitse radenrepubliek in 1918-1919, de Russische revoluties van 1905 en 1917 en die gedurende de Spaanse Burgeroorlog in 1936-1937. Arendt signaleerde in haar boek over de revolutie dat Marx en Lenin, onder de (in)druk der omstandigheden, zeker sympathie hadden voor de toenmalige raden en ze geeft daar ook voorbeelden van. Toch, betoogt Arendt, zagen beiden in deze raden niet de fundamenten om de maatschappij structureel te veranderen. Hun harten klopten veel heftiger als het er om ging van bovenaf, door middel van een ongedeelde en centralistische 'proletarische' staatsmacht het heft in handen te houden. De gebeurtenissen in Kronstadt spraken voor haar wat dit aanging duidelijke taal.
In het strategisch gelegen Kronstadt, in de Finse Golf, ontvlamde in  1921 verzet tegen de toenemende bolsjewistische dominantie over de sovjets. Nogal wat plaatselijke communisten sloten zich hierbij aan. De bolsjewistische partijleiding besloot daarop tot een bloedige militaire onderdrukking. De burgeroorlog en de buitenlandse interventie vormen een gedeeltelijke verklaring voor de repressie.
 
Arendt zag wel wat in Lenins formule: 'socialisme = elektrificatie + sovjets' want hieruit sprak een scheiding tussen economie en politiek en er werd niet gerept van de partij.  Maar al gauw kreeg de bolsjewistische partij van Lenin en Trotski de sovjets in haar greep, evenals de economie. Toen Stalin eind jaren twintig ook nog de semi-liberale Nieuwe Economische Politiek (NEP) uitschakelde, lag de weg open voor het totalitarisme.
Tegelijkertijd betreurde ze het dat de Amerikaanse tegenhanger van de Europese raden, de zogenaamde townhall-meetings niet door de founding fathers een constitutioneel beslag hadden gekregen. Hoewel Arendt een groot bewonderaar bleef van de Amerikaanse omwenteling, was ze toch van oordeel dat de oorspronkelijke revolutionaire geest verloren was gegaan. In de raden wilde Arendt zo al niet een alternatief, dan toch een positieve concurrent zien van de kommervolle politieke partijen, die zij wantrouwde om hun machtshiërarchie, baantjesjagerij en het feit dat zij nauwelijks contact hadden met hun lokale bronnen, de acties van de mensen.

Zoals we hebben gezien heeft het felle antitotalitaire engagement de stootrichting van haar denken bepaald. Tot aan haar dood in december 1975 bleef dat engagement het centrale beoordelingscriterium van de actuele gebeurtenissen. Bart Prins die een dissertatie over Arendt  schreef, drukte haar credo als volgt uit: 'To be under totalitarian domination or not to be under totalitarian domination, that's  the question'. Deze houding heeft haar wel eens de niet onbegrijpelijke kwalificatie 'obsessief denken' opgeleverd.
De tegenstelling kapitalisme-socialisme bijvoorbeeld werd door haar en 'schijntegenstelling' genoemd. En later onderzoek inzake Hitler-Duitsland en Stalin-Rusland heeft bovendien laten zien dat deze maatschappijtypen minder monolitisch in e lkaar staken dan vaak werd gedacht. Verder is het uiterst moeilijk mee tegaan in haar rigide scheiding en ontkoppeling van politieke vrijheid en sociale rechtvaardigheid. Vrijheid was voor haar topprioriteit.
En de realiteit is natuurlijk echt wel was meer dan bruisende debatten van vrije mensen in de publieke arena op basis van gelijkwaardigheid, te midden van een federatieve structuur. Dat neemt niet weg dat zij destijds op eigenzinnige wijze radicaal aandacht heeft gevraagd voor het wel en wee van verschillende revoluties, voor de noodzaak van politieke vrijheid, pluraliteit, radenmacht en voor het gevaar van nieuwe totalitaire tendensen. De twee grote ontsporingen van deze eeuw in Europa gaven haar daartoe alle aanleiding.
 
 
Literatuur:
 
Hannah Arendt, The origins of totalitarianism.New edition with added prefaces, (1979).
 
Hannah Arendt, De revolutie. Macht en onmacht van een modern politiek verschijnsel (1965) (On Revolution, 1963).
 
Elisabeth Young-Bruehl, Hannah Arendt. For love of the world (1982).
 
Maarten van Rossum, 'Hannah Arendt' (een bespreking van het de biografie van Young-Bruehl) in: Theoretische Geschiedenis, jg.12 nr. 4, 1985.
 
Ferenc Feher, 'The pariah and the citizen: on Arendt's political theory', in: Gisela Kaplan, Clice Kessler (red), Hannah Arendt - Thinking, judging, freedom (1989).
 
Bart Prins, Op de bres voor vrijheid en pluraliteit; politieke in de post-metafysische revisie van Hannah Arendt (1990). 

Hannah Arendt in jaartallen:

1906  Geboren in Hannover.
1910  Het gezin Arendt verhuist naar Köningsberg.
1913  Haar vader overlijdt aan syfilis.
1920  In tegenstelling tot haar moeder die een enthousiast aanhangster is van Rosa Luxemburg, is haar dochter aanvankelijk nauwelijks geïnteresseerd in politiek.
1924-1925  Gaat (Westerse) filosofie studeren  in Marburg. Er ontwikkelt zich een intieme relatie tussen Arendt en haar populaire professor Martin Heidegger.
1926-1927  Vervolgt haar filosofie-studie in Heidelberg bij Karl Jaspers, die voor haar een soort vaderfiguur zal worden. Anders dan Heidegger collaboreerde Jaspers niet met het nazi-regime. Hij verzette zich evenmin. Voor Arendt werd Jaspers later het symbool voor het 'andere Duitsland'.
1928-1929  Promotie bij Jaspers over Augustinus. Huwelijk met Günthe Stern in Berlijn.
1930-1933  Schrijft een biografie over een joodse vrouw in het 19de-eeuwse Duitsland: Rahel Varnhagen dat pas veel later gepubliceerd zal worden. Ondergaat invloed van Kurt Blumenfeld, een bekende Duitse zionist. In 1933 komt Hitler aan de macht.
1933-1940  Arrestatie.Vlucht via de Duits-Tsjechische grens naar Frankrijk. Zet zich in ten bate van Joodse vluchtelingenorganisaties. Einde relatie mt Stern. Ontmoeting in 1936 met Heinrich Blücher in Parijs. In 1940 trouwt ze met hem. Internering in vrouwenkamp Gurs, in Zuid-Frankrijk.
1941  Vlucht naar de Verenigde Staten, waar ze het de eerste tien jaar niet breed heeft. Schrijft voor het Duitstalige emigrantenblad Aufbau en voor de Partisan Review. Kennismaking met New Yorkse intellectuelen. De stad was toen een concurrent van Parijs als intellectueel centrum.
1946-1948 leidinggevende functie bij Schocken Books. Haar moeder die was meegereisd naar de V.S. sterft in 1948. 
1948-1952  Leidende onderzoeksfunctie bij de 'European jewish cultural reconstruction'. In opdracht hiervan maakt ze in 1949-1950 een studiereis naar Duitsland. In 1951 verschijnt in de V.S. The origins of totalitarianism (Britse titel: The Burden of our Time). Krijgt in 1952 een beurs om onderzoek te doen in de politieke theorie.
1953-1954  Arendt geeft colleges aan de universiteiten van Princeton en aan de New School for Social Research (New York)
1958  Publicatie van The human condition en Rahel Varnhagen. 
1961-1963  Ze bezoekt als verslaggeefster voor de New Yorker het Eichmann-proces in Israël. Haar boek Eichmann in Jerusalem zorgt voor enorme ophef binnen de Joodse gemeenschap. Arendt gaf als haar mening dat de openbare aanklager aan de leiband liep van  minister-president David Ben-Goerion. Verder kritiseerde ze scherp, soms zonder voldoende bewijs, de rol van de Joodse Raden tijdens de oorlog. verliest hierdoor nogal wat vrienden. Anderen kozen positie voor haar zoals Mary McCarthy, Bruno Bettelheim en Karl Jaspers. Wordt professor aan de universiteit van Chicago.
1968  Professoraat aan de new School for Social Research. Staat niet onsympathiek tegenover de studentenrevolte in Amerika en Frankrijk.
1970  Dood van haar man Heinrich Blücher. Verschijning van On Violence. Aanleiding boden de studentenopstanden. Ze stond sympathiek tegenover burgerlijke ongehoorzaamheid zonder geweldsaanwending.
1973  Geeft een reeks colleges in het Schotse Aberdeen.
1974  Krijgt hartaanval tijdens tweede reeks colleges in Aberdeen.
1975  Hannah Arendt overlijdt op 4 december in new York.
1978  Postuum verschijnt het boek waaraan ze de laatste jaren van haar leven had gewerkt: The Life of the Mind. Dit werk werd bezorgd door Mary McCarthy.