maandag 1 juni 1992

DE GESCHIEDENIS TE BOVEN KOMEN

Door Otto van de Haar.
In: De Internationale, juni 1992, nr 43

 
 
Hannah Arendt, zelf nadenken - Ferry Maidman
 
 
 
 
Hannah Arendt (1906 - 1975)

 
Iemand die al in een voeg stadium met het totalitarisme als geheel had afgerekend, was de geëngageerde filosofe Hannah Arendt, een van de meest intelligente vrouwen van de twintigste-eeuwse westerse wereld. Het is zinvol om stil te staan bij haar ervaringen en analyses van het totalitarisme, vooral ook omdat zij - hoewel soms wat romantische - politieke alternatieven lanceerde. Haar waardering voor zowel de Amerikaanse Revolutie als de Europese radenmacht vormden hierbij een originele combinatie. Het ging haar om een radicale verdediging van politieke en persoonlijke vrijheid en pluriformiteit - waarden die in het Europa van Hitler en Stalin volledig waren vertrapt. Met haar werk deed Arendt een deels succesvolle poging om de macabere geschiedenis van het totalitarisme te boven te komen.

Toen de door beide supermachten ingezette Koude Oorlog zijn eerste climax bereikte in 1951, publiceerde de van oorsprong Duits-Joodse filosofe Hannah Arendt in de Verenigde Staten haar boek The Origins of Totalitarianism. Zowel voor als na haar hebben auteurs met uiteenlopende visie zich over dit thema gebogen, maar geen van hun publicaties bereikten bij benadering de oplage van die van Arendt. Haar gedreven maar tegelijkertijd gedistantieerde stijl was hieraan niet vreemd. Het meer dan vijfhonderd pagina's tellende werk getuigde van een enorme belezenheid en een vermogen tot generalisatie. Het werd in vele talen vertaald, helaas niet in het Nederlands. [In 2017 zijn onder de titel 'Totalitarisme' gedeeltes van de The Origins of Totalitarianism in vertaling verschenen]. Het plan voor dit boek was geleidelijk gegroeid en hing direct samen met haar persoonlijke leven, dat van een joodse emigrante. Kort na de Rijksdagbrand in februari 1933 was Hannah Arendt - die in de jaren  twintig bij Heidegger en Jaspers had gestudeerd - nog in staat geweest enkele door de Gestapo vervolgde communisten onderdak te verschaffen, maar al gauw zag zij zich als Jodin gedwongen uit te wijken naar het nog vrije Frankrijk. Daar zette zij zich actief in om de Joodse vluchtelingen voor te bereiden op een in leven in Palestina. Een fanatiek zionist is ze overigens niet geworden. Reeds bij de stichting van Israël in 1948 wees ze op de noodzaak van een binationale staatsvorm, voor Joden en Palestijnen.
In Parijs ontmoette ze de eveneens gevluchte Duitse Spartakist Heinrich Blücher die met zijn praktische ervaringen uit de 'radenrepubliek' in 1918-1919 en door zelfstudie (Luxemburg, Marx, Trotski) een niet te onderschatten politieke invloed op Arendt uitoefende. Met hem zou ze in 1941 naar de Verenigde Staten vluchten en een band behouden die vaak innig was. In 1975 overleed zij in New York.
Behalve het antisemitisme, dat ook in Frankrijk op flinke steun kon rekenen, was een minstens zo belangrijke impuls tot de samenstelling van haar totalitarismeboek de schrikbarende onthullingen over Hitlers concentratie- en vernietigingskampen. Deze kwamen in de slotfase van de Tweede Wereldoorlog, maar vooral na afloop ervan in de volle openbaarheid, zoals tijdens de Neurenberg-processen en in herinneringen van overlevenden. De nazi's waren niet alleen 'gewone' continentale, imperialistische agressors geweest die met militaire middelen een herverdeling van Europa hadden nagestreefd; de oorlog bleek gevoerd tegen een regime dat een zinloze genocide had aangericht. Dat mede door de nodige kritiek op haar boek en het beschikbaar gekomen materiaal uit de Sovjet-Unie na Stalins dood in 1953, in latere edities van The Origins of Totalitarianism  ook de Russische dodenkampen veel duidelijker in haar analyse werden betrokken, was logisch en onvermijdelijk.

Terreur...
 
Afbeeldingsresultaat voor hannah Arendt
 

Volgens Arendt waren de terreur en de ideologie de meest relevante karakteristieken, die dit nieuwe type totalitaire samenleving onderscheidde van traditionele despotische en tirannieke regimes.
In de tweede helft van de jaren veertig verschenen in het Westen onthullende memoires van overlevenden uit Hitlers en Stalins concentratiekampen, zoals die van Eugen Kogon 'Der SS-Staat', David Roussets 'Les jours de notre morts' en over de Sovjet-Unie 'The dark side of the moon' van Zoe Zajdlerova. Het beeld dat opdoemt uit deze herinneringen was, aldus Arendt, dat van het absolute isolement en de verlatenheid. Dit kwam omdat de kampen effectief aan het oog van de rest van de maatschappij onttrokken waren. Alles was er mogelijk, zo bleek. Nadat de arrestanten allereerst ontdaan waren van hun juridische status, volgde al snel de vernietiging van hun morele en individuele persoon.
Een ander kenmerk was de volstrekte willekeur in de uitroeiingskampen. Men stierf er door systematische tortuur of honger of men werd omgebracht als zijnde 'overtollig'. Dit laatste gebeurde als de kampen overbevolkt raakten door de aanhoudende toestroom van de leden de 'ondergaande klassen' en 'ondermaatse rassen'. Hannah Arendt schreef: 'Hier is moord even onpersoonlijk alsa het doodslaan van een mug'. Een willekeur die zich uiteraard ook manifesteerde in de rest van de maatschappij. Wat er bestond aan rechtsregels onder Hitler en Stalin was van weinig betekenis. Want de totalitaire leiders zeiden in wezen te gehoorzamen aan de onverbiddelijke 'hogere wetten' van de Natuur dan wel de Geschiedenis. In hoeverre deze Führers er zelf in geloofden, blijft ook vandaag een punt van discussie.
Nikita Chroesjtsjov - die mede onder druk van onderop verordonneerde dat in de jaren vijftig ettelijke miljoenen de kampen konden verlaten - werd eens gevraagd hoe hij zelf deze willekeur had overleefd. Zijn antwoord was veelzeggend: "Ik was een lotje uit de loterij".
Een laatste kenmerk van de concentratiekampen was volgens Arendt dat de werkzaamheden er uitmunten in nutteloze en zinloze energieverspilling. Normaal georganiseerd werk zou namelijk een veel hogere productiviteit te zien hebben gegeven. Slechts in uitzonderlijke gevallen kwam er een bevel van de oppermachtige geheime staatspolitie om het 'sterftecijfer' te drukken wegens een acuut tekort aan arbeidskracht in de (oorlogs)productie.
Dwangarbeid en verbanning, zoals we die kennen uit niet-totalitaire maatschappijen zijn weerzinwekkend genoeg. Maar hierbij was in het eerste geval nog sprake van een beperkte tijdsduur en intensiteit en de verbanningsoorden werden tenminste nog bewoond door andere mensen. De slaven in de Oudheid, aldus Arendt, waren evenmin geïsoleerd van de overige bevolking, wat hen in elk geval een minimum aan sociale controle en bescherming bood. Daarbij kwam dat de slaven nog een minimale marktwaarde vertegenwoordigden. Dit alles was afwezig in de 'laboratoria van de totale overheersing' van Himmler en Beria. Het was alsof de kampen en de ingezetenen niet meer tot deze wereld behoorden.
Concentratiekampen als zodanig bestonden zoals bekend allang voor Hitler en Stalin in het zadel zaten, zoals in India, in Zuid-Afrika en in Frankrijk na de Spaanse Burgeroorlog. Maar deze kampen waren volgens Arendt alleen vergelijkbaar met de beginfase van het totalitarisme, dat wil zeggen in de Sovjet-Unie voor 1930 en in Duitsland voor 1938.
Wat zich evenwel na genoemde data, tijdens het hoogtepunt van het totalitarisme afspeelde in de dodenkampen was onbevattelijk, aangezien het niet aansloot bij traditionele criteria. Hannah Arendt concludeerde dat deze vorm van totalitaire dominantie precedentloos was in de geschiedenis (1).

 ...en ideologie.

Afbeeldingsresultaat voor hannah Arendt


 Eveneens dwingend was haar betoog over de andere kant van de totalitaire medaille: de ideologie. Hoewel er tussen beide systemen verschillen bestonden - iets wat Arendt in tegenstelling tot historicus Alan Bullock in zijn Hitler en Stalin. Parallelle levens - volstrekt niet uitwerkt - ambieerden beiden de volkomen onderwerping van het individu in een wereldomvattende orde. Dat was naar haar mening de kern van de overeenkomst. Daartoe was een nietsontziende strijd nodig tegen een vermeende internationale samenzwering die het Duitse volk dan wel de Russische arbeidersklasse de das om dreigde te doen. Vervalste protocollen en dito processen fungeerden als fundament van legitimatie en mobilisatie.
Een ander punt dat Arendt frappeerde in de totalitaire ideologie was het anti-utilitaire, irrationele element. Terwijl Duitsland een oorlog voerde op twee fronten, gingen de treintransporten met 'schadelijke rassen' onverminderd door, hetgeen een Duits militair succes bemoeilijkte. En de vervolgingen in de Sovjet-Unie onder Josef Stalin begonnen pas werkelijk op gang te komen toen de reële tegenstand in feite al niet meer bestond. Dit anti-utilitaire aspect werd volgens haar lange tijd in het Westen niet begrepen.
In één opzicht waren de twee systemen stabiel: in het permanent voortbrengen van 'overtollige mensen', met als eindoplossing de kampen. Met een tit dan toe gebruikelijke, traditionele raison d' état had dit volgens Arendt niets meer uitstaande.

Kritiek

Zoals al aangegeven oogstte het uit drie delen bestaande werk bij verschijnen veel bijval. Toch werden er ook duidelijke bezwaren gehoord. 
Vrijwel eensluidend werd gesteld dat het boek erg onevenwichtig in  elkaar stak. Dat had alles te maken met haar aanvankelijke concentratie op de oorsprong en de  elementen van het nazisme. Het eerste deel droeg dan ook als titel 'antisemitisme' en het tweede ging over het (Britse) 'imperialisme'. Beide fenomenen, die in het laatste kwart van de negentiende eeuw hun moderne vorm hadden gekregen, mondden ten slotte uit in Hitlers 'racistisch imperialisme', het derde deel. Pas in een later stadium verving zij dit laatste deel door de term 'totalitarisme', waarbij ook de Stalin-tijd terecht betrokken werd. De nazistische variant van het totalitarisme was, al met al, van een diepere historische achtergrond voorzien. Het feit dat haar concentratie vooral Hitler-Duitsland gold heeft volgens mij ook te maken met haar enigszins linkse achtergrond. Hannah Arendt heeft dit laatste altijd ontkend.
Een ander punt van kritiek luidde dat Arendts kennis van de Sovjet- economische geschiedenis te wensen overliet. Ze zou ten onrechte het eerste vijfjarenplan (1928-1933) als een 'krankzinnigheid' hebben afgewezen. Maar Arendt bleef bij haar standpunt. Waar het om ging was dat dat economische factoren van geringe betekenis waren voor een verklaring van het totalitarisme en de dodenkampen.

Pluraliteit
 
Dat het bekrompen, racistische en imperialistische denken ten slotte kritalisseerde in de nazi-ideologie en haar eindpunt vond in Auschwitz en Treblinka was voor Arendt, terug redenerend, een logische ontwikkeling.
Aanzienlijk ingewikkelder was het gesteld met de revolutionair Karl Marx en diens volgelingen. Immers, voor haar behoorde de invloedrijke 19de-eeuwer tot 'de grote traditie van het Europese denken'. Waarom dan toch- langs de weg van het bolsjewisme ('marxisme-leninisme') - de ontsporing van het stalinisme in de Sovjet-Unie? Het schijnt dat Hannah Arendt deze tegenstrijdigheid nooit afdoende wist te verklaren.
Wat ze wel deed was het blootleggen van enkele 'totalitaire trekjes' in het denken van Karl Marx, zoals zijn onvoldoende aandacht voor het werkelijk funderen van het begrip vrijheid en zijn deterministische geschiedopvatting.

Als er iets was wat tijdens de regimes van Hitler en Stalin in de periode 1930-1953 met wortel en tak was uitgeroeid dan was het wel vrijheid en pluraliteit. Het was dan ook geen toeval dat Arendt juist deze begrippen van cruciaal belang achtte en hiervoor op de bres sprong. Geen enkele serieuze politieke theorie kon hierover onbezorgd zijn. Zonder gefundeerde en geïnstitutionaliseerde vrijheid en pluraliteit was het politieke leven zinloos. De raison d'être, het bestaansrecht van de politiek is vrijheid, schreef ze, en deze vrijheid wordt vooral ervaren tijdens het handelend, creatief optreden, samen met anderen, in de politieke arena. Vrijheid betekende voor Arendt het vermogen om een nieuw begin te maken. Dit alles was onder het totalitarisme verloren gegaan, aangezien het menselijk handelen er teruggebracht was tot voorspelbare, geconditioneerde reacties. Een niet centralistische, federatieve structuur (als associatie op basis van gelijkwaardigheid) bood de beste waarborg om deze pluraliteit te vestigen.
Wat Arendt hekelde in de visie van Marx was diens preoccupatie met het verschijnsel (de mens als) arbeidskracht, de klassenstrijd en de productieverhoudingen. In haar boek On Revolution uit 1963 ging ze zelfs zover om Marx een 'bezeten zijn van de sociale kwestie' te verwijten. Niet alleen Marx trouwens maar ook mensen als Maximilien Robespierre en Lenin. Hun fixatie op de sociale kwestie had volgens haar tot een onderwaardering geleid van de noodzaak tot het institutionaliseren van politieke vrijheid en pluraliteit. Er was een onwil geweest om serieuze aandacht te geven aan kwesties van staatkunde en bestuur. Nog een 'totalitair trekje' bij Marx was diens gedetermineerde (en dus niet vrije) geschiedopvatting. Het was waar dat ook Marx het actieven en tot verandering leidende optreden waardeerde maar deze acties waren in wezen steeds gekoppeld aan een vaststaand schema hoe de Geschiedenis zich zou ontwikkelen. Het is niet moeilijk in te zien dat een voorspelde en vaststaande toekomst weinig te maken heeft met toeval, spontaniteit en een werkelijk vrij optreden van mensen. Ook al werd dan 'de Vrijheid' in het vooruitzicht gesteld.
En  ze kwam in On Revolution tot de conclusie: 'Marx' plaats in de geschiedenis van de menselijke vrijheid zal altijd dubbelzinnig blijven'. Grof samengevat: ze suggereerde hiermee een gedeeltelijke verklaring gevonden te hebben voor de terreurfase van de Franse en Russische revolutie. Dit was des te schrijnender omdat de uiteindelijke rechtvaardiging van beide Europese revoluties naar haar mening juist was gelegen in het vrijheidsperspectief.
Met instemming citeerde ze de door haar hogelijk gewaardeerde Rosa Luxemburg. Die had zich in haar fameuze brochure 'De Russische Revolutie' uit 1918 zeer kritisch uitgelaten over Lenin en Trotski die het met de politieke vrijheid niet zo nauw namen: 'Zonder algemene verkiezingen, zonder onbeperkte vrijheid van drukpers en vergadering, zonder een vrije uitwisseling van meningen dooft het leven uit in iedere openbare instelling, wordt het een soort spiegelbeeld van het leven, waarin alleen de bureaucratie als actief element blijft bestaan. Het openbare leven slaapt langzamerhand in, een paar dozijn partijleiders met onuitputtelijke werkkrachten  grenzeloze ervaring besturen en regeren. In werkelijkheid doet maar een dozijn uitstekende koppen het eigenlijke werk, en een elite uit de werkende klasse wordt van tijd tot tijd uitgenodigd om...te applaudisseren voor de toespraken van de leiders, en om voorgestelde resoluties unaniem te aanvaarden - een echte kliek dus, in wezen...'

De Amerikaanse Revolutie
 
 
 
Afbeeldingsresultaat voor hannah Arendt
 
Arendts politieke theorie - die zij vaak met grote stelligheid naar voren bracht - steunde ook op haar interpretatie van de Amerikaanse Revolutie. Volgens hadden de founding fathers, de opstellers van de Amerikaanse Grondwet, die zij erg bewonderde, wel een goed oog gehad voor het constitueren van vrijheid in een federatieve structuur.
Door scheiding en 'balancing' van machten. Dat zij dit kónden doen kwam mede doordat de sociale misère in het 18de-eeuwse Amerika veel minder was dan in het Europa van de Franse en Russische Revolutie. Uiteraard gold de misère wel degelijk de Amerikaanse zwarte slaven, die anno 1750 zo'n twintig procent van de totale bevolking uitmaakten. Arendt sprak in On Revolution over 'abjecte en onterende ellende'. Maar zij betoogde dat dit gegeven noch door de Amerikaanse tijdgenoten (zoals de founding fathers), noch door Europese ooggetuigen in die tijd gezien werd als een serieus onderdeel van de sociale kwestie. Een erg bevredigende redenatie is dit niet.
 
De Amerikaanse revolutionairen hoefden evenmin te ageren tegen de kerk, het leger, de adel of tegen een absolutistische vorst. Wel moesten zij zich losrukken van het imperialistische moederland. Hoe dan ook, in haar boek On revolution betreurde ze het dat niet de Amerikaanse, maar de Franse Revolutie als inspiratiebron had gefunctioneerd voor de Russische revolutionairen, en dat de Russische Revolutie op haar beurt omwentelingen elders in de wereld had beïnvloed.
Toen Arendt in 1941 in de Verenigde Staten arriveerde, werd ze niet gedwongen tot assimilatie en was ze in staat haar culturele identiteit te behouden. Dit gegeven heeft ook zeker een rol gespeeld bij haar, we mogen wel zeggen, geïdealiseerde kijk op de revolutie in de Nieuwe Wereld.

Dat verhinderde haar niet zich te kanten tegen het barre optreden van senator Joseph McCarthy die aan de hand van grove intimidatie en halfgare processen wenste vast te stellen wie 'objectief communistisch' was en dus 'on-Amerikaans'. Ook was ze het niet oneens met diegenen in de Amerikaanse politiek die 'Vietnam' en 'Watergate' liefst zo snel mogelijk wenste te vergeten. In haar totalitarisme boek maakte ze duidelijk dat de nazi's beïnvloed waren door de methoden van zowel de Amerikaanse gangster-organisaties als door het agressieve Amerikaanse reclamewezen met haar monopoliedromen. Ook al geen compliment voor de Nieuwe Wereld. En ten slotte ergerde ze zich aan het sociale conformisme in de Verenigde Staten.
 
Raden 
 
 
Afbeeldingsresultaat voor hannah Arendt
 
Arendts antitotalitaire verdediging van politieke vrijheid en pluraliteit omvatte ook de radenmacht. Dit was volgens haar een fenomeen dat op een even lange geschiedenis kon bogen als de moderne politieke partijen.
Op de Hongaarse Opstand van 1956 bijvoorbeeld reageerden zij en haar vriend Heinrich Blücher met enthousiasme. In een brief aan een vriend, de Duitse filosoof Karl Jaspers, schreef ze op 26 december van dat jaar: 'Het lijkt me dat het (de opstand, ovdh) nog steeds niet ten einde is, en hoe het ook afloopt, het is zonder meer een overwinning voor de vrijheid. Daarbij opnieuw, zoals bij alle spontane revoluties van de laatste honderd jaar, het spontane opduiken van een nieuwe staatsvorm in de dop, het radensysteem, dat de Russen dusdanig verkracht hebben, dat vrijwel niemand nog begrijpt, wat het eigenlijk is'.
In Boedapest, maar ook elders in het land, ontpopte zich een beweging als alternatief voor het totalitarisme, dat zich spoedig na het einde van de Tweede Wereldoorlog in de zogenaamde volksrepublieken had ontwikkeld. Ze werd gekenmerkt door zich spontaan vormende buurschapsraden, raden van arbeiders, raden van ambtenaren, kunstenaars en jongeren en raden in het leger, die tezamen optraden ter wille van de vrijheid. Wat Arendt erg aansprak in deze revolte was de afwezigheid van staatsgreep technieken en het ontbreken van interne controle door politieke partijen. In de Hongaarse opstand, die helaas van korte duur was en met dictatoriale geweldsmiddelen door Moskou werd onderdrukt, ontwaarde Arendt het door haar beklemtoonde vrije en spontane handelen op voet van gelijkheid. Het deed haar kort stil staan bij eerdere radensystemen in de Europese geschiedenis: tijdens de Parijse Commune van 1871, de Duitse radenrepubliek in 1918-1919, de Russische revoluties van 1905 en 1917 en die gedurende de Spaanse Burgeroorlog in 1936-1937. Arendt signaleerde in haar boek over de revolutie dat Marx en Lenin, onder de (in)druk der omstandigheden, zeker sympathie hadden voor de toenmalige raden en ze geeft daar ook voorbeelden van. Toch, betoogt Arendt, zagen beiden in deze raden niet de fundamenten om de maatschappij structureel te veranderen. Hun harten klopten veel heftiger als het er om ging van bovenaf, door middel van een ongedeelde en centralistische 'proletarische' staatsmacht het heft in handen te houden. De gebeurtenissen in Kronstadt spraken voor haar wat dit aanging duidelijke taal.
In het strategisch gelegen Kronstadt, in de Finse Golf, ontvlamde in  1921 verzet tegen de toenemende bolsjewistische dominantie over de sovjets. Nogal wat plaatselijke communisten sloten zich hierbij aan. De bolsjewistische partijleiding besloot daarop tot een bloedige militaire onderdrukking. De burgeroorlog en de buitenlandse interventie vormen een gedeeltelijke verklaring voor de repressie.
 
Arendt zag wel wat in Lenins formule: 'socialisme = elektrificatie + sovjets' want hieruit sprak een scheiding tussen economie en politiek en er werd niet gerept van de partij.  Maar al gauw kreeg de bolsjewistische partij van Lenin en Trotski de sovjets in haar greep, evenals de economie. Toen Stalin eind jaren twintig ook nog de semi-liberale Nieuwe Economische Politiek (NEP) uitschakelde, lag de weg open voor het totalitarisme.
Tegelijkertijd betreurde ze het dat de Amerikaanse tegenhanger van de Europese raden, de zogenaamde townhall-meetings niet door de founding fathers een constitutioneel beslag hadden gekregen. Hoewel Arendt een groot bewonderaar bleef van de Amerikaanse omwenteling, was ze toch van oordeel dat de oorspronkelijke revolutionaire geest verloren was gegaan. In de raden wilde Arendt zo al niet een alternatief, dan toch een positieve concurrent zien van de kommervolle politieke partijen, die zij wantrouwde om hun machtshiërarchie, baantjesjagerij en het feit dat zij nauwelijks contact hadden met hun lokale bronnen, de acties van de mensen.

Zoals we hebben gezien heeft het felle antitotalitaire engagement de stootrichting van haar denken bepaald. Tot aan haar dood in december 1975 bleef dat engagement het centrale beoordelingscriterium van de actuele gebeurtenissen. Bart Prins die een dissertatie over Arendt  schreef, drukte haar credo als volgt uit: 'To be under totalitarian domination or not to be under totalitarian domination, that's  the question'. Deze houding heeft haar wel eens de niet onbegrijpelijke kwalificatie 'obsessief denken' opgeleverd.
De tegenstelling kapitalisme-socialisme bijvoorbeeld werd door haar en 'schijntegenstelling' genoemd. En later onderzoek inzake Hitler-Duitsland en Stalin-Rusland heeft bovendien laten zien dat deze maatschappijtypen minder monolitisch in e lkaar staken dan vaak werd gedacht. Verder is het uiterst moeilijk mee tegaan in haar rigide scheiding en ontkoppeling van politieke vrijheid en sociale rechtvaardigheid. Vrijheid was voor haar topprioriteit.
En de realiteit is natuurlijk echt wel was meer dan bruisende debatten van vrije mensen in de publieke arena op basis van gelijkwaardigheid, te midden van een federatieve structuur. Dat neemt niet weg dat zij destijds op eigenzinnige wijze radicaal aandacht heeft gevraagd voor het wel en wee van verschillende revoluties, voor de noodzaak van politieke vrijheid, pluraliteit, radenmacht en voor het gevaar van nieuwe totalitaire tendensen. De twee grote ontsporingen van deze eeuw in Europa gaven haar daartoe alle aanleiding.
 
 
Literatuur:
 
Hannah Arendt, The origins of totalitarianism.New edition with added prefaces, (1979).
 
Hannah Arendt, De revolutie. Macht en onmacht van een modern politiek verschijnsel (1965) (On Revolution, 1963).
 
Elisabeth Young-Bruehl, Hannah Arendt. For love of the world (1982).
 
Maarten van Rossum, 'Hannah Arendt' (een bespreking van het de biografie van Young-Bruehl) in: Theoretische Geschiedenis, jg.12 nr. 4, 1985.
 
Ferenc Feher, 'The pariah and the citizen: on Arendt's political theory', in: Gisela Kaplan, Clice Kessler (red), Hannah Arendt - Thinking, judging, freedom (1989).
 
Bart Prins, Op de bres voor vrijheid en pluraliteit; politieke in de post-metafysische revisie van Hannah Arendt (1990). 

Hannah Arendt in jaartallen:

1906  Geboren in Hannover.
1910  Het gezin Arendt verhuist naar Köningsberg.
1913  Haar vader overlijdt aan syfilis.
1920  In tegenstelling tot haar moeder die een enthousiast aanhangster is van Rosa Luxemburg, is haar dochter aanvankelijk nauwelijks geïnteresseerd in politiek.
1924-1925  Gaat (Westerse) filosofie studeren  in Marburg. Er ontwikkelt zich een intieme relatie tussen Arendt en haar populaire professor Martin Heidegger.
1926-1927  Vervolgt haar filosofie-studie in Heidelberg bij Karl Jaspers, die voor haar een soort vaderfiguur zal worden. Anders dan Heidegger collaboreerde Jaspers niet met het nazi-regime. Hij verzette zich evenmin. Voor Arendt werd Jaspers later het symbool voor het 'andere Duitsland'.
1928-1929  Promotie bij Jaspers over Augustinus. Huwelijk met Günthe Stern in Berlijn.
1930-1933  Schrijft een biografie over een joodse vrouw in het 19de-eeuwse Duitsland: Rahel Varnhagen dat pas veel later gepubliceerd zal worden. Ondergaat invloed van Kurt Blumenfeld, een bekende Duitse zionist. In 1933 komt Hitler aan de macht.
1933-1940  Arrestatie.Vlucht via de Duits-Tsjechische grens naar Frankrijk. Zet zich in ten bate van Joodse vluchtelingenorganisaties. Einde relatie mt Stern. Ontmoeting in 1936 met Heinrich Blücher in Parijs. In 1940 trouwt ze met hem. Internering in vrouwenkamp Gurs, in Zuid-Frankrijk.
1941  Vlucht naar de Verenigde Staten, waar ze het de eerste tien jaar niet breed heeft. Schrijft voor het Duitstalige emigrantenblad Aufbau en voor de Partisan Review. Kennismaking met New Yorkse intellectuelen. De stad was toen een concurrent van Parijs als intellectueel centrum.
1946-1948 leidinggevende functie bij Schocken Books. Haar moeder die was meegereisd naar de V.S. sterft in 1948. 
1948-1952  Leidende onderzoeksfunctie bij de 'European jewish cultural reconstruction'. In opdracht hiervan maakt ze in 1949-1950 een studiereis naar Duitsland. In 1951 verschijnt in de V.S. The origins of totalitarianism (Britse titel: The Burden of our Time). Krijgt in 1952 een beurs om onderzoek te doen in de politieke theorie.
1953-1954  Arendt geeft colleges aan de universiteiten van Princeton en aan de New School for Social Research (New York)
1958  Publicatie van The human condition en Rahel Varnhagen. 
1961-1963  Ze bezoekt als verslaggeefster voor de New Yorker het Eichmann-proces in Israël. Haar boek Eichmann in Jerusalem zorgt voor enorme ophef binnen de Joodse gemeenschap. Arendt gaf als haar mening dat de openbare aanklager aan de leiband liep van  minister-president David Ben-Goerion. Verder kritiseerde ze scherp, soms zonder voldoende bewijs, de rol van de Joodse Raden tijdens de oorlog. verliest hierdoor nogal wat vrienden. Anderen kozen positie voor haar zoals Mary McCarthy, Bruno Bettelheim en Karl Jaspers. Wordt professor aan de universiteit van Chicago.
1968  Professoraat aan de new School for Social Research. Staat niet onsympathiek tegenover de studentenrevolte in Amerika en Frankrijk.
1970  Dood van haar man Heinrich Blücher. Verschijning van On Violence. Aanleiding boden de studentenopstanden. Ze stond sympathiek tegenover burgerlijke ongehoorzaamheid zonder geweldsaanwending.
1973  Geeft een reeks colleges in het Schotse Aberdeen.
1974  Krijgt hartaanval tijdens tweede reeks colleges in Aberdeen.
1975  Hannah Arendt overlijdt op 4 december in new York.
1978  Postuum verschijnt het boek waaraan ze de laatste jaren van haar leven had gewerkt: The Life of the Mind. Dit werk werd bezorgd door Mary McCarthy.
 







 
 
 






zaterdag 15 februari 1992

DE KAISER IN HOLLAND

n.a.v. Willibald Gutsche, Ein Kaiser im Exil. Der letzte deutsche Kaiser Wilhelm II. in Holland (1991).

in: Elsevier, 15 februari 1992.
 

Otto van de Haar

DE  KAISER  IN  HOLLAND


Toen in het najaar van 1918 de militaire nederlaag van het Duitse Rijk een feit was, vluchtte Kaiser Wilhelm II naar het neutraal gebleven Nederland. Eerst verbleef hij korte tijd in Amerongen, daarna tot zijn dood op 4 juni 1941in Slot Doorn.
Het overheersende beeld van de ex-keizer is dat van oude, gefortuneerde rentenier die zijn dagen voornamelijk sleet met het kappen van bomen en andere onschadelijke liefhebberijen; de Nederlandse regering had hem trouwens verzocht zich van politiek te onthouden. De Duitse historicus Gutsche heeft dit beeld in zijn biografie Ein Kaiser im Exil nu grondig bijgesteld. Hij doet dat door te beklemtonen dat de bijlslagen van Wilhelm vooral gericht waren op de Weimarrepubliek, die in 1933 ter ziele ging. In eerdere studies is ook wel vluchtig ingegaan op de revanche-gedachten van Wilhelm en zijn pogingen tot contact met Hitlers NSDAP, maar volgens Gutsche is dat veel te oppervlakkig gebeurd; de ballingschap van de keizer is te zeer als een aanhangsel van zijn regeerperiode (1888-1918) beschreven.
De auteur, die gebruik heeft gemaakt van nooit ten volle benutte archieven, laat duidelijk zien waarop de restauratiestrategie van de ontstuimige ex-keizer en het Huis van Hohenzollern berustte. Allereerst was dat de stelling van Wilhelms onschuld aan de oorlog van 1914-1918: 'Noch ik zelf noch Duitsland dragen enige verantwoording voor het uitbreken van de wereldoorlog', schreef hij. Hieruit vloeide zijn aversie tegen de drukkende vredesvoorwaarden voort. Een ander drijfveer was zijn misplaatste veronderstelling dat het de socialisten en joden aan het thuisfront waren geweest die de catastrofe van 1918 hadden veroorzaakt, en de kwaadheid over zijn onttroning was des te groter aangezien hij monarch was geweest bij de gratie van 'de Allerhoogste'. Ten slotte werd Wilhelms agressieve afkeer van de republiek gevoed door zijn credo dat het Parlementarismus een onduits en ongermaans verschijnsel was. Kortom, met de Weimarrepubliek (de zwijnenrepubliek, aldus Wilhelm) was geen enkel compromis mogelijk.
Uitvoerig beschrijft Gutsche hoe enkele van Wilhelms afgezanten, onder wie Hermine von Reuss, meermaals van Doorn naar Duitsland reisden om door contacten met conservatieve sleutelfiguren de vorming van een rechts-nationaal en antirepublikeins front te stimuleren. De republiek moest op de knieën worden gedwongen opdat, via de weg van een dictatuur, de monarchie kon terugkeren.
Ter begeleiding van die missies voerde de voormalige keizer correspondentie met geestverwanten en stelde hij geld ter beschikking. Toen mede door de economische crisis van 1929 ter rechterzijde van het politieke krachtenveld de nazi's gingen domineren, schrok de fanatieke balling er niet voor terug tijdelijk met hen samen te werken. Andere leden van het Huis van Hohenzollern waren in de Heimat rechtstreeks bij deze politiek betrokken als actieve leden van de NSDAP. Wilhelms project mislukte overigens jammerlijk, omdat Hitler niemand naast zich duldde. Hij liet de monarchisten in de waan van een mogelijk machtsherstel en gebruikte hen totdat hij zijn positie had veilig gesteld.
Gutsche stelt dat zijn hoofdpersoon, die in Duitsland over een niet geringe populariteit beschikte, door zijn handelwijze het nationaal-socialisme bij conservatieve lagen van de bevolking salonfähig heeft gemaakt. Dat ook ter linkerzijde krachten bestonden die de Weimarrepubliek vijandig gezind waren en Hitler onderschat hebben, wordt helaas niet door hem aangestipt.
Meer geslaagd is wat hij over de nuanceverschillen tussen de oude monarch en de nieuwe dictator schrijft. Zo was de eerste, althans in privégesprekken, furieus over de Reichskristallnacht in 1938. De oude officieren en alle fatsoenlijke Duitsers zouden moeten protesteren. opperde hij. Dat de monarchisten moeilijk over één kam geschoren kunnen worden, blijkt ook uit het feit dat in de loop van 1934 de ene monarchistische vereniging na de andere gedwongen werd ontbonden. Verder bleef de ex-keizer hameren op zijn door God gegeven gezag.
Van een werkelijke kniebuiging voor Hitler was dus geen sprake. Maar van een ondubbelzinnig afstand nog minder. Daarvoor waren de overeenkomsten tussen het wereldbeeld van Wilhelm II en dat van Hitler naar het inzicht van Gutsche te structureel van aard: racisme, anti-bosjewisme, haat jegens de democratische Weimarrepubliek en de vrede van Versailles, en een expansief nationalisme. Toen in Hitler in 1940 West-Europa annexeerde - enkele Hohenzollern dienden in het Duitse leger - beschouwde de onttroonde keizer dat als een voortzetting van zijn in 1918 afgebroken beleid.
Terecht noteert Gutsche dat het oordeel over de politieke rol van Wilhelm aan de lezer blijft voorbehouden. Maar dat het simpele beeld van de keizerlijke houthakker niet langer kan standhouden, staat na dit rijk gedocumenteerde boek wel vast. Dat de schrijver tevens gedetailleerde aandacht heeft geschonken aan het dagelijks leven van de balling en zijn hofhouding maakt de biografie tot een afgerond geheel. 

Otto van de Haar

N.a.v. Willibald Gutsche, Ein Kaiser im Exil. Der letzte deutsche Kaiser Wilhelm II. in Holland (1991).

in: Elsevier, 15 februari 1992.






zaterdag 21 september 1991

'BERICHT UIT BRUNSWIJK'

BERICHT UIT BRUNSWIJK

Hedda Kalshoven-Brester (redactie), Ik denk zoveel aan jullie. Een briefwisseling tussen Nederland en Duitsland, 1929-1949 (1990).

in: Elsevier, 21 september 1991

Otto van de Haar


De centrale figuur in deze brieven uit een periode van dertig jaar is de moeder van de tekstbezorgster, Irmgard Gebensleben, geboren in 1906. Zoals wel meer Duitse kinderen werd zij na de Eerste Wereldoorlog in een Nederlands pleeggezin ondergebracht om op krachten te komen, in dit geval de nuchtere en bescheiden familie Brester, die antimilitaristisch georiënteerd was. Dat stond in tegenstelling tot Irmgards ouderlijk huis, waar conservatisme en nationalisme de toon aangaven. Haar familie koos in de jaren dertig voor Hitler en vooral de dweperige epistels van haar moeder, die kort voor haar man overleed in 1937, brengen die keuze scherp uitdrukking. Het beviel Irmgard uitstekend bij de Bresters en zij bleef regelmatig er na haar aansterkperiode regelmatig terugkomen.Wie haar eerste enthousiaste brieven aan Vati en Mutti leest, merkt direct dat ze nogal gecharmeerd was van de twee zoons van het gezin Brester, die vaak grapjes met haar maakten. Met een van hen, August, een student medicijnen, trouwde ze in 1929. Ze werd Nederlandse en vestigde zich hier blijvend. Het jaar daarop werd Hedda geboren, de bezorgster van deze brieven. Ik denk zoveel aan jullie bevat tevens de correspondentie tussen Irmgard Brester-Gebensleben en haar grootmoeder, haar broer, nichten, vrienden en vriendinnen. Na 1945 werd het contact met de laatsten intensiever doordat haar naaste familie was overleden of, zoals haar geliefde broer Eberhard, gesneuveld. Hij diende tijdens de oorlog onder andere in Polen en de Sovjet-Unie (waarover zijn brieven weinig onthullends bevatten) en bracht gedurende zijn verlofperiodes regelmatig, geüniformeerd en wel, een bezoek aan zijn zus en zwager, wat soms tot spanningen leidde: August Brester was betrokken bij het Nederlandse artsenverzet.                                                                          Het bijzondere van deze uitgave ligt allereerst in de zeldzaamheid van dergelijke brieven, aangezien de meeste van zulke getuigenissen in mei 1945 werden vernietigd. In het bestand van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, deelt drs C. Stuhldreher van dat RIOD mee, bevindt zich zelfs geen enkele grote correspondentie uit de bezettingstijd. Daarbij laten de brieven op onverbloemde wijze zien hoe en waarom mensen (in dit geval behorend tot de Duitse elite) al snel na Hitlers machtsovername het nationaalsocialisme omarmden. 'In die combinatie van directheid en zeldzaamheid vond ik de rechtvaardiging deze brieven openbaar te maken', schrijft Hedda Kalshoven-Brester terecht.  Gezien Irmgards dubbele achtergrond zijn haar brieven moeilijk onder een noemer te brengen. Aan de ene kant voelt zij voor Hitler voor zover hij de tradities van het oude rechts-autoritaire keizerrijk weer oppakt. Evenals haar moeder in in Brunswijk is ze verheugd als de oude keizersvlag weer mag worden gehesen, en haar nostalgie bij de dood van Reichspräsident Hindenburg in 1934 is een andere illustratie: 'Hij was toch nog echt een stuk oude traditie en oude glorie van ons Duitse vaderland'.                Daar staat tegenover dat ze van Hitler 'eist' zijn doelen vreedzaam na te streven. met de uitschakeling van de Duitse communisten, kort na januari 1933, heeft ze geen moeite, maar, schrijft ze, het moet niet tot een dictatuur leiden. Het duidelijkst neemt zij stelling tegen de vervolging van de joden; in hetzelfde jaar datzij om Hindenburg treurt, treedt ze op een bijeenkomst ten bate van o.a. joodse vluchtelingen op als zangeres, en later zal ze een joodse onderduiker herbergen.                                                                    Onnodig te zeggen dat de Duitse bezetting en terreur van 1940-45 haar onder zware psychische druk plaatste. Tot een breuk met het zo dierbare Brunswijk kon en wilde zij het echter niet laten komen. Ondanks meningsverschillen probeerde ze de vrede tussen de families te bewaren, want dat vond ze belangrijker dan 'politieke ruzies', aldus de bezorgster.                                                                           Ook opmerkelijk zijn de brieven van Irmgards grootmoeder die Hitler ('een overweldigende persoonlijkheid') met hart en ziel was toegedaan. Ze maken op een aanschouwelijke manier duidelijk hoe de politieke ontwikkelingen vorm kregen en verwerkt werden  op plaatselijk en individueel niveau. Dat geldt voor de economische crisis van de jaren dertig, de angst en haat ten opzichte van Moskou en de 'rode heren' van de Weimarrepubliek, en de woede tegenover Frankrijk dat vasthield aan de loodzware lasten die men Duitsland na de Eerste Wereldoorlog had opgelegd. Daar stond Hitlers messianisme tegenover. 

Toen Irmgards moeder in 1937 overleed, was er voor de sympathisanten van Hitler nog geen vuiltje aan de lucht, en de overwinningen aan de begin van de oorlog konden het optimisme slechts versterken. Toch is het verrassend te lezen hoe Irmgards grootmoeder (1859) met haar lange levenservaring al in 1940 de komende nederlaag van het Derde Rijk lijkt te voorvoelen. In haar jeugd, scgrijft ze, was ze ook zo enthousiast geweest over de afloop van de Frans-Duitse oorlog en de stichting van het keizerrijk, maar ze herinnert zich tevens dat die voorspoed was omgeslagen in de Duitse ineenstorting van 1918. Zou het Hitler na jaren van succes niet op dezelfde wijze vergaan?

Hedda Kalshoven-Brester, die MO-geschiedenis studeerde, heeft de brieffragmenten van historische toelichtingen voorzien. En wie het boek ten einde heeft gelezen, zal ermee instemmen dat zulke ego-documenten een noodzakelijke, concrete aanvulling betekenen op de abstracte, generaliserende geschiedschrijving.



                                                         

vrijdag 28 juni 1991

STIPPELLIJN NAAR AUSCHWITZ

n.a.v. Philippe Burrin: Het ontstaan van een volkenmoord. Hitler en de Joden (1991).
 

in: Nieuw Israelitisch Weekblad, 28 juni 1991

Otto van de Haar

 

STIPPELLIJN NAAR AUSCHWITZ

In de, soms wat theoretische aandoende, geschieddiscussie over het precieze ontstaan van de nationaal-socialistische judeocide tekenen zich al geruime tijd twee tegengestelde basisinterpretaties af. De intentionalistische school stelt dat de nazi's, Hitler voorop, al in een zeer vroeg stadium en vanuit hun ideologie het vaste plan (dan wel programma) hadden de joden biologisch uit te roeien. Auschwitz was er het rechtstreekse en onvermijdelijke gevolg van. Het definitieve bevel zou op zijn laatst in de lente van 1941 zijn gegeven, ten tijde van de voorbereiding op de tocht naar Rusland (22 juni 1941). De funktionalisten daarentegen leggen totaal andere accenten. Zij zien het Derde Rijk als een autoritaire anarchie van rivaliserende organisaties, ministeries en de oude conservatieve elite, waardoor het bewind was gedwongen tot heftige zwenkingen en improvisaties - ook inzake joodse vraagstuk. De holocaust wordt beschouwd als het resultaat van een toenemende radicalisering door omstandigheden waarbij Hitlers rol betrekkelijk gering is geweest en de nadruk ligt op de historische context. Pas eind 1941 zou de fatale order zijn gegeven.

In zijn in het Nederlands vertaalde boek over het ontstaan van de genoemde volkenmoord kiest Philippe Burrin (1952), die les geeft aan het postdoctoraal instituut voor internationale studies in Genève, voor een tussenpositie waarbij hij gebruikmaakt van de verdiensten van beide scholen. Zijn analyse van zo'n 180 pagina's maakt een heldere en beredeneerde indruk maar geeft ook aanleiding tot een kanttekening.
Burrin is het gedeeltelijk eens met de internationalisten, die Hitlers rol onderstrepen en beweren dat hij al vanaf de smadelijke Duitse nederlaag in 1918 de uitroeiing van de joden beoogde. Maar, zegt hij, dit doel bevond zich op de achtergrond van zijn denken en niet in onvermijdelijke maar in voorwaardelijke zin. Dat wil zeggen, bij de dreiging van een nieuwe militaire nederlaag. De 'nationale redder' had namelijk lange tijd andere prioriteiten, zoals de buitenlandse politiek en de herbewapening.
Aan de hand van recente studies en door uitgebreide herinterpretatie van officiële documenten, getuigenissen en processtukken concludeert Burrin dat het nationaal-socialistische beleid tot aan de herfst van 1941 serieuze 'alternatieven' voor de joden in petto had. Zo vigeerde na de machtsovername in 1933 jarenland een (gedwongen) emigratiepolitiek. Emigratie eerst uit het Reich, later uit bezet Europa. Een inderdaad wel erg omslachtige vernietigingsmethode. Bovenstaande afdoen als een machiavellistische truc van Hitler c.s. is volgens Burrin te simpel. Verder zou met de term Endlösung aanvankelijk deportatie bedoeld zijn en niet fysieke vernietiging.
Er bestonden inderdaad verschillende, serieus te nemen plannen bij de nazi's omtrent de vestiging van een joods reservaat (op Madagaskar, in het gouvernement-generaal in Polen, in Palestina etc.). In het zicht van de aanval op het land van Stalin, werd ook het gebied achter de Oeral als territoriale oplossing overwogen.
Burrin maakt overigens wel duidelijk dat het lot van de joden in de periode 1933-1941 steeds verder verslechterde. De eerste grote stroomversnelling was te zien in 1938: de Anschluss, Weense toestanden, Reichskristallnacht. Vervolgens de aanval op Polen in september 1939, toen ettelijke duizenden leden van de Poolse intelligentia, onder wie vrij veel joden, werden omgebracht. Ten slotte de operatie Barbarossa waarbij na ongeveer twee maanden strijd al een geschatte 50.000 joden (nu ook vrouwen en kinderen) en stalinistische commissarissen werden vermoord. Maar naar het inzicht van Burrin ligt er een wereld van verschil tussen het meest brute en meest openlijke geweld en wat later de rationele en geheime operatie van de genocide zou zijn.
Pas vanaf september 1941 zien we een werkelijk dramatische toename van het aantal joodse slachtoffers. Aan het eind van dat jaar was dat al opgelopen tot zo'n half miljoen. De fatale beslissing, Hitlers Durchführungsbefehl, werd hoogstwaarschijnlijk in genoemde maand gegeven. Het totale Europese jodendom zou letterlijk worden uitgeroeid. Na september 1941 nam volgens Philippe Burrin de bouw van de vernietigingsmachinerie een aanvang.
De achterliggende reden voor het definitieve bevel ontwaart hij in de vastgelopen Blitzkrieg in de Sovjet-Unie, die zich juist rond september voordeed. Hoewel een onmiddellijke nederlaag zich nog niet aftekende, werd steeds duidelijker dat het een langslepend en risicovol conflict zou worden. Temeer daar de Verenigde Staten hun neutraliteit minder in acht waren gaan nemen en de dreigende contouren van de anti-Hitlercoalitie zichtbaar begonnen te worden.
In dit verband heeft Burrin gebruikgemaakt van de funktionalisten die wijzen op het belang van de historische conjunctuur. Maar anders dan deze school bagatelliseert hij niet de invloed van Hitlers antisemitische ideeënkraam op de gebeurtenissen. In de jaren twintig, onder andere in Mein Kampf, had de Beierse agitator - als gefrustreerde nationalistische gelovige bij uitstek - al moeiteloos de Duitse catastrofe van 1918 toegeschreven aan de joodse verraders, die daarvoor ten strengste hadden moeten worden gestraft. In zijn beruchte rede in de Rijksdag (30-1-1939) bracht hij hun liquidatie opnieuw in verband met de naderende wereldoorlog en alle gevaren van dien voor het Duitse achterland. Het internationale jodendom moest niet het lef hebben de triomfantelijke opmars van het Reich te stuiten. Want als dit zou worden geprobeerd, zou dit het einde van het joodse ras in Europa betekenen. Om en nabij september 1941, na jaren van gisting, was voor Hitler het historische moment daar voor de meest radicale wraak. De joden zouden niet nog eens profiteren van een eventuele nederlaag zoals in 1918, terwijl aan de fronten zoveel bloed vloeide van het Herrenvolk. Zo ongeveer moet Hitlers pathologisch-consistente gedachtegang zijn geweest.
Blijft over de meer praktische vraag of de joden, indien nazi-Duitsland in de oorlog had gezegevierd, een holocaust bespaard zou zijn gebleven. Ja - zegt Burrin. "De goede afloop van zijn (Hitlers, OvdH) plannen zou bewijzen dat de joden al met al toch niet zo machtig waren als hij zich had voorgesteld; hun overplaatsing naar een bewaakt reservaat was dan voldoende, ze zouden zijn triomf illustreren". Aan de andere kant veronderstelt hij, ietwat paradoxaal, dat bij een eventuele reservaatoplossing "ontelbaar veel slachtoffers" zouden vallen. En het lot van de joden bij een territoriale oplossing zou naar zijn zeggen niet verschillen van dat der Slavische bevolking in Oost-Europa waarvan de (geplande) verplaatsing "miljoenen doden zou hebben gekost".
Kortom, vanuit wetenschappelijk en theoretisch oogpunt in het zeker relevant en legitiem opnieuw te onderzoeken naar aanleiding waarvan en op welk tijdstip het rampspoedige Durchfürungsbefehl werd versterkt. Burrin heeft wat dit betreft zijn stellingen overzichtelijk uiteengezet. Dat is de moeite waard omdat over dit specifieke onderwerp, naar het schijnt, in het Nederlandse taalgebied nog weinig materiaal voorhanden is. Iets als de emigratiepolitiek (1933-1939) kan moeilijk worden gebagatelliseerd en heeft daarom niet ten onrechte de nodige aandacht gekregen in zijn boek. 
Desondanks lijkt Burrin, zoals blijkt uit de geschetste tegenstrijdigheid, bewust of onbewust de betrekkelijkheid van zijn historische speurtocht te hebben aangegeven.


zaterdag 1 juni 1991

TRIOMF VOOR STALIN - TRAGEDIE VOOR HET VOLK

n.a.v. Dmitri Volkogonov, Triomf en tragedie - een politiek portret van Jozef Stalin (1990).

in: Socialisme & Democratie, juni 1991.

Otto van de Haar 

 Een serieuze Nederlandstalige biografie van Sovjetorigine bestond tot voor kort niet. Wel verscheen in 1973 bij Paris-Manteau  het bekende Laat de geschiedenis oordelen; ontstaan en gevolgen van het Stalinisme van de toenmalige dissident en historicus Roj Medvedev (1). Maar de titel geeft al aan dat het hier gaat om de analyse van een 'isme'. Verder bracht uitgeverij Pegasus eind jaren veertig de vertaling van Stalin - kratkaja biografie (korte biografie) op de markt van de hand van P. Pospelov e.a. Helaas gaat deze levensbeschrijving gebukt onder een zware hagiografische last, niet in de laatste plaats omdat Stalin zelf over de schouders van de auteurs heeft meegekeken. Van een heel ander kaliber is Volkonovs Trioemf i tragedia, polititjeski portret I.V. Stalina (2), dat in de herfst van 1989 werd voltooid. Vorig jaar volgden de Duitse en Nederlandse vertaling, terwijl voor 1991 de Franse en Engelse versie zijn aangekomdigd. Aangezien de schrijver al in 1979 is begonnen met zijn ruim duizend pagina's tellende portret, heeft hij slechts in beperkte mate kunnen profiteren van de 'historiografische glasnost'. Met de titel van het boek geeft Volkogonov aan dat het des te tragischer is geteld met de volkssoevereiniteit naarmate Stalin meer triomfeerde.

Dmitri Antonovitsj Volkogonov, geboren in 1928 in Tsjita en sinds 1950 partijlid, is doctor in de filosofie en was na de oorlog tevens generaal-kolonel in het leger. Sinds 1988 staat hij aan het hoofd van het invloedrijke instituut voor militaire geschiedenis, een afdeling van het ministerie van Defensie. Zijn vader, een leergierige en enigszins ontwikkelde boer, stierf  in 1937 als gevolg van de stalinistische terreur. Deze droevige gebeurtenis vormde de achtergrond van zijn boek. De al genoemde Medvedev heeft op vergelijkbare wijze een anti-stalinistische impuls uit zijn jeugd meegekregen. Ook hij zag zijn vader eind jaren dertig voor de laatste maal (3). Van (blijvende) wraakgevoelens ten opzichte van het systeem is bij Volkogonov overigens geen sprake. 'Onze staat heeft mij opgevoed', vertelde hij in een interview in 1988, 'heeft mij laten leren, mij tot mens, tot doctor en professor gemaakt. Daarvoor zal ik altijd dankbaar zijn' (4).

Chroesjtsjov

Het verrast niet dat zowel de filosofische als de militaire kennis van de schrijver in Triomf en tragedie terug te vinden zijn. Wat hem echter, naar mijn oordeel, in doorslaggevende mate heeft beïnvloed, is Chroesjtsjovs - vaak geciteerde, maar minder gelezen - geheime anti-Stalinrede  die klonk op het twintigste congres van de CPSU in 1956. Ook Medvedev, recentelijk weer partijlid geworden, heeft dikwijls het belang onderstreept van dit 'sleuteldocument'. Vanuit het Westen is terecht gewezen op de ontoereikendheid van Chroesjtsjovs speech als verklaring  van het stalinisme. Tegelijk moet in het oog gehouden worden dat er in alle geledingen van de Sovjetmaatschappij nog velen zijn die zich niet neer willen leggen bij de strekking van genoemde rede. Aan het slot van zijn boek schrijft Volkogonov nogal bescheiden dat Chroesjtsjovs verslag voor hem een 'aanvullende mogelijkheid' vormde voor het begrijpen van Stalin en zijn tijd (5). Voor een deel is dat dat juist. Triomf en tragedie bevat een schat aan soms nog niet eerder gepubliceerde, vooral militaire, documenten en steekt ruimschoots uit boven Nikita's verslag. Volkonov heeft uitgebreid gebruik kunnen maken van het staatsarchief van het Rode leger en de generale staf, het hooggerechtshof en het centrale partijarchief. Verder bestudeerde hij Russische kranten en periodieken alsmede werk van enkele buitenlandse historici zoals Stephen Cohen en Adam Ulam. Isaac Deutschers Trotski-bigrafie is hem evenmin ontgaan. Ten slotte voerde hij gesprekken met talrijke figuren uit Stalins inner circle. Dmitri Volkogonov geeft geïnformeerde schetsen van Stalins bolsjewistische partijgenoten, variërend van directe medeplichtigen als Beria, Kaganowitsj en Molotov, tot aan diegenen die vroeg of laat verzet hebben aangetekend tegen de despoot, zoals Boecharin en uiteraard Trotski. Over de laatste concludeert de biograaf - en dit is een doorbraak in de Sovjethistoriografie - dat niemand zoveel heeft bijgedragen aan de ontmaskering van Stalin als hij. Maar hij kritiseert Trotski ook als zijnde 'een apologeet van de sociale terreur'(6). Van dit alles was in de zestig velletjes tekst van Chroesjtsjov natuurlijk geen sprake (7).

In analytisch opzicht is Volkogonovs boek echter niet veel meer, maar ook niet minder, dan een gedetailleerde en genuanceerde uitwerking van genoemde redevoering. Of het nu gaat over Stalins falende rol in de Tweede Wereldoorlog, de scherpe veroordeling van de Stalincultus vanaf de jaren dertig, de interpretatie van Lenins testament of over de stalinistische geschiedschrijving en de negatieve beoordeling van de interne partijoppositie in de jaren twintig - de gelijkenis is treffend. Een uitzondering vormt zijn betoog over de gedwongen landbouwcollectivisatie. Hierdoor vertoont Volkogonovs relaas ook overeenkomstige defecten. Ik noem slechts het feit dat de auteur de Stalincultus - als was het een parodie - heeft vervamgen door een adoratie voor lenin. Tussen beide figuren  zou een dikke scheidswand hebben bestaan. Een ander zwak punt is dat Stalins dubieuze rol inzake de communistische internationale (1919-1943) niet goed is onderzocht.

Cultus

Vooral na de overwinning op nazi-Duitsland bereikte de bewieroking van Josef Vissarionovitsj Dzjoegasjvili (1879-1953) haar hoogtepunt.