maandag 1 juni 1992
DE GESCHIEDENIS TE BOVEN KOMEN
zaterdag 15 februari 1992
DE KAISER IN HOLLAND
n.a.v. Willibald Gutsche, Ein Kaiser im Exil. Der letzte deutsche Kaiser Wilhelm II. in Holland (1991).
in: Elsevier, 15 februari 1992.
Otto van de Haar
DE KAISER IN HOLLAND
Toen in het najaar van 1918 de militaire nederlaag van het Duitse Rijk een feit was, vluchtte Kaiser Wilhelm II naar het neutraal gebleven Nederland. Eerst verbleef hij korte tijd in Amerongen, daarna tot zijn dood op 4 juni 1941in Slot Doorn.
Het overheersende beeld van de ex-keizer is dat van oude, gefortuneerde rentenier die zijn dagen voornamelijk sleet met het kappen van bomen en andere onschadelijke liefhebberijen; de Nederlandse regering had hem trouwens verzocht zich van politiek te onthouden. De Duitse historicus Gutsche heeft dit beeld in zijn biografie Ein Kaiser im Exil nu grondig bijgesteld. Hij doet dat door te beklemtonen dat de bijlslagen van Wilhelm vooral gericht waren op de Weimarrepubliek, die in 1933 ter ziele ging. In eerdere studies is ook wel vluchtig ingegaan op de revanche-gedachten van Wilhelm en zijn pogingen tot contact met Hitlers NSDAP, maar volgens Gutsche is dat veel te oppervlakkig gebeurd; de ballingschap van de keizer is te zeer als een aanhangsel van zijn regeerperiode (1888-1918) beschreven.
De auteur, die gebruik heeft gemaakt van nooit ten volle benutte archieven, laat duidelijk zien waarop de restauratiestrategie van de ontstuimige ex-keizer en het Huis van Hohenzollern berustte. Allereerst was dat de stelling van Wilhelms onschuld aan de oorlog van 1914-1918: 'Noch ik zelf noch Duitsland dragen enige verantwoording voor het uitbreken van de wereldoorlog', schreef hij. Hieruit vloeide zijn aversie tegen de drukkende vredesvoorwaarden voort. Een ander drijfveer was zijn misplaatste veronderstelling dat het de socialisten en joden aan het thuisfront waren geweest die de catastrofe van 1918 hadden veroorzaakt, en de kwaadheid over zijn onttroning was des te groter aangezien hij monarch was geweest bij de gratie van 'de Allerhoogste'. Ten slotte werd Wilhelms agressieve afkeer van de republiek gevoed door zijn credo dat het Parlementarismus een onduits en ongermaans verschijnsel was. Kortom, met de Weimarrepubliek (de zwijnenrepubliek, aldus Wilhelm) was geen enkel compromis mogelijk.
Uitvoerig beschrijft Gutsche hoe enkele van Wilhelms afgezanten, onder wie Hermine von Reuss, meermaals van Doorn naar Duitsland reisden om door contacten met conservatieve sleutelfiguren de vorming van een rechts-nationaal en antirepublikeins front te stimuleren. De republiek moest op de knieën worden gedwongen opdat, via de weg van een dictatuur, de monarchie kon terugkeren.
Ter begeleiding van die missies voerde de voormalige keizer correspondentie met geestverwanten en stelde hij geld ter beschikking. Toen mede door de economische crisis van 1929 ter rechterzijde van het politieke krachtenveld de nazi's gingen domineren, schrok de fanatieke balling er niet voor terug tijdelijk met hen samen te werken. Andere leden van het Huis van Hohenzollern waren in de Heimat rechtstreeks bij deze politiek betrokken als actieve leden van de NSDAP. Wilhelms project mislukte overigens jammerlijk, omdat Hitler niemand naast zich duldde. Hij liet de monarchisten in de waan van een mogelijk machtsherstel en gebruikte hen totdat hij zijn positie had veilig gesteld.
Gutsche stelt dat zijn hoofdpersoon, die in Duitsland over een niet geringe populariteit beschikte, door zijn handelwijze het nationaal-socialisme bij conservatieve lagen van de bevolking salonfähig heeft gemaakt. Dat ook ter linkerzijde krachten bestonden die de Weimarrepubliek vijandig gezind waren en Hitler onderschat hebben, wordt helaas niet door hem aangestipt.
Meer geslaagd is wat hij over de nuanceverschillen tussen de oude monarch en de nieuwe dictator schrijft. Zo was de eerste, althans in privégesprekken, furieus over de Reichskristallnacht in 1938. De oude officieren en alle fatsoenlijke Duitsers zouden moeten protesteren. opperde hij. Dat de monarchisten moeilijk over één kam geschoren kunnen worden, blijkt ook uit het feit dat in de loop van 1934 de ene monarchistische vereniging na de andere gedwongen werd ontbonden. Verder bleef de ex-keizer hameren op zijn door God gegeven gezag.
Van een werkelijke kniebuiging voor Hitler was dus geen sprake. Maar van een ondubbelzinnig afstand nog minder. Daarvoor waren de overeenkomsten tussen het wereldbeeld van Wilhelm II en dat van Hitler naar het inzicht van Gutsche te structureel van aard: racisme, anti-bosjewisme, haat jegens de democratische Weimarrepubliek en de vrede van Versailles, en een expansief nationalisme. Toen in Hitler in 1940 West-Europa annexeerde - enkele Hohenzollern dienden in het Duitse leger - beschouwde de onttroonde keizer dat als een voortzetting van zijn in 1918 afgebroken beleid.
Terecht noteert Gutsche dat het oordeel over de politieke rol van Wilhelm aan de lezer blijft voorbehouden. Maar dat het simpele beeld van de keizerlijke houthakker niet langer kan standhouden, staat na dit rijk gedocumenteerde boek wel vast. Dat de schrijver tevens gedetailleerde aandacht heeft geschonken aan het dagelijks leven van de balling en zijn hofhouding maakt de biografie tot een afgerond geheel.
Otto van de Haar
N.a.v. Willibald Gutsche, Ein Kaiser im Exil. Der letzte deutsche Kaiser Wilhelm II. in Holland (1991).
in: Elsevier, 15 februari 1992.
zaterdag 21 september 1991
'BERICHT UIT BRUNSWIJK'
BERICHT UIT BRUNSWIJK
Hedda Kalshoven-Brester (redactie), Ik denk zoveel aan jullie. Een briefwisseling tussen Nederland en Duitsland, 1929-1949 (1990).
in: Elsevier, 21 september 1991
Otto van de Haar
De centrale figuur in deze brieven uit een periode van dertig jaar is de moeder van de tekstbezorgster, Irmgard Gebensleben, geboren in 1906. Zoals wel meer Duitse kinderen werd zij na de Eerste Wereldoorlog in een Nederlands pleeggezin ondergebracht om op krachten te komen, in dit geval de nuchtere en bescheiden familie Brester, die antimilitaristisch georiënteerd was. Dat stond in tegenstelling tot Irmgards ouderlijk huis, waar conservatisme en nationalisme de toon aangaven. Haar familie koos in de jaren dertig voor Hitler en vooral de dweperige epistels van haar moeder, die kort voor haar man overleed in 1937, brengen die keuze scherp uitdrukking. Het beviel Irmgard uitstekend bij de Bresters en zij bleef regelmatig er na haar aansterkperiode regelmatig terugkomen.Wie haar eerste enthousiaste brieven aan Vati en Mutti leest, merkt direct dat ze nogal gecharmeerd was van de twee zoons van het gezin Brester, die vaak grapjes met haar maakten. Met een van hen, August, een student medicijnen, trouwde ze in 1929. Ze werd Nederlandse en vestigde zich hier blijvend. Het jaar daarop werd Hedda geboren, de bezorgster van deze brieven. Ik denk zoveel aan jullie bevat tevens de correspondentie tussen Irmgard Brester-Gebensleben en haar grootmoeder, haar broer, nichten, vrienden en vriendinnen. Na 1945 werd het contact met de laatsten intensiever doordat haar naaste familie was overleden of, zoals haar geliefde broer Eberhard, gesneuveld. Hij diende tijdens de oorlog onder andere in Polen en de Sovjet-Unie (waarover zijn brieven weinig onthullends bevatten) en bracht gedurende zijn verlofperiodes regelmatig, geüniformeerd en wel, een bezoek aan zijn zus en zwager, wat soms tot spanningen leidde: August Brester was betrokken bij het Nederlandse artsenverzet. Het bijzondere van deze uitgave ligt allereerst in de zeldzaamheid van dergelijke brieven, aangezien de meeste van zulke getuigenissen in mei 1945 werden vernietigd. In het bestand van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, deelt drs C. Stuhldreher van dat RIOD mee, bevindt zich zelfs geen enkele grote correspondentie uit de bezettingstijd. Daarbij laten de brieven op onverbloemde wijze zien hoe en waarom mensen (in dit geval behorend tot de Duitse elite) al snel na Hitlers machtsovername het nationaalsocialisme omarmden. 'In die combinatie van directheid en zeldzaamheid vond ik de rechtvaardiging deze brieven openbaar te maken', schrijft Hedda Kalshoven-Brester terecht. Gezien Irmgards dubbele achtergrond zijn haar brieven moeilijk onder een noemer te brengen. Aan de ene kant voelt zij voor Hitler voor zover hij de tradities van het oude rechts-autoritaire keizerrijk weer oppakt. Evenals haar moeder in in Brunswijk is ze verheugd als de oude keizersvlag weer mag worden gehesen, en haar nostalgie bij de dood van Reichspräsident Hindenburg in 1934 is een andere illustratie: 'Hij was toch nog echt een stuk oude traditie en oude glorie van ons Duitse vaderland'. Daar staat tegenover dat ze van Hitler 'eist' zijn doelen vreedzaam na te streven. met de uitschakeling van de Duitse communisten, kort na januari 1933, heeft ze geen moeite, maar, schrijft ze, het moet niet tot een dictatuur leiden. Het duidelijkst neemt zij stelling tegen de vervolging van de joden; in hetzelfde jaar datzij om Hindenburg treurt, treedt ze op een bijeenkomst ten bate van o.a. joodse vluchtelingen op als zangeres, en later zal ze een joodse onderduiker herbergen. Onnodig te zeggen dat de Duitse bezetting en terreur van 1940-45 haar onder zware psychische druk plaatste. Tot een breuk met het zo dierbare Brunswijk kon en wilde zij het echter niet laten komen. Ondanks meningsverschillen probeerde ze de vrede tussen de families te bewaren, want dat vond ze belangrijker dan 'politieke ruzies', aldus de bezorgster. Ook opmerkelijk zijn de brieven van Irmgards grootmoeder die Hitler ('een overweldigende persoonlijkheid') met hart en ziel was toegedaan. Ze maken op een aanschouwelijke manier duidelijk hoe de politieke ontwikkelingen vorm kregen en verwerkt werden op plaatselijk en individueel niveau. Dat geldt voor de economische crisis van de jaren dertig, de angst en haat ten opzichte van Moskou en de 'rode heren' van de Weimarrepubliek, en de woede tegenover Frankrijk dat vasthield aan de loodzware lasten die men Duitsland na de Eerste Wereldoorlog had opgelegd. Daar stond Hitlers messianisme tegenover.
Toen Irmgards moeder in 1937 overleed, was er voor de sympathisanten van Hitler nog geen vuiltje aan de lucht, en de overwinningen aan de begin van de oorlog konden het optimisme slechts versterken. Toch is het verrassend te lezen hoe Irmgards grootmoeder (1859) met haar lange levenservaring al in 1940 de komende nederlaag van het Derde Rijk lijkt te voorvoelen. In haar jeugd, scgrijft ze, was ze ook zo enthousiast geweest over de afloop van de Frans-Duitse oorlog en de stichting van het keizerrijk, maar ze herinnert zich tevens dat die voorspoed was omgeslagen in de Duitse ineenstorting van 1918. Zou het Hitler na jaren van succes niet op dezelfde wijze vergaan?
Hedda Kalshoven-Brester, die MO-geschiedenis studeerde, heeft de brieffragmenten van historische toelichtingen voorzien. En wie het boek ten einde heeft gelezen, zal ermee instemmen dat zulke ego-documenten een noodzakelijke, concrete aanvulling betekenen op de abstracte, generaliserende geschiedschrijving.
vrijdag 28 juni 1991
STIPPELLIJN NAAR AUSCHWITZ
n.a.v. Philippe Burrin: Het ontstaan van een volkenmoord. Hitler en de Joden (1991).
in: Nieuw Israelitisch Weekblad, 28 juni 1991
Otto van de Haar
STIPPELLIJN NAAR AUSCHWITZ
In de, soms wat theoretische aandoende, geschieddiscussie over het precieze ontstaan van de nationaal-socialistische judeocide tekenen zich al geruime tijd twee tegengestelde basisinterpretaties af. De intentionalistische school stelt dat de nazi's, Hitler voorop, al in een zeer vroeg stadium en vanuit hun ideologie het vaste plan (dan wel programma) hadden de joden biologisch uit te roeien. Auschwitz was er het rechtstreekse en onvermijdelijke gevolg van. Het definitieve bevel zou op zijn laatst in de lente van 1941 zijn gegeven, ten tijde van de voorbereiding op de tocht naar Rusland (22 juni 1941). De funktionalisten daarentegen leggen totaal andere accenten. Zij zien het Derde Rijk als een autoritaire anarchie van rivaliserende organisaties, ministeries en de oude conservatieve elite, waardoor het bewind was gedwongen tot heftige zwenkingen en improvisaties - ook inzake joodse vraagstuk. De holocaust wordt beschouwd als het resultaat van een toenemende radicalisering door omstandigheden waarbij Hitlers rol betrekkelijk gering is geweest en de nadruk ligt op de historische context. Pas eind 1941 zou de fatale order zijn gegeven.
In zijn in het Nederlands vertaalde boek over het ontstaan van de genoemde volkenmoord kiest Philippe Burrin (1952), die les geeft aan het postdoctoraal instituut voor internationale studies in Genève, voor een tussenpositie waarbij hij gebruikmaakt van de verdiensten van beide scholen. Zijn analyse van zo'n 180 pagina's maakt een heldere en beredeneerde indruk maar geeft ook aanleiding tot een kanttekening.
Burrin is het gedeeltelijk eens met de internationalisten, die Hitlers rol onderstrepen en beweren dat hij al vanaf de smadelijke Duitse nederlaag in 1918 de uitroeiing van de joden beoogde. Maar, zegt hij, dit doel bevond zich op de achtergrond van zijn denken en niet in onvermijdelijke maar in voorwaardelijke zin. Dat wil zeggen, bij de dreiging van een nieuwe militaire nederlaag. De 'nationale redder' had namelijk lange tijd andere prioriteiten, zoals de buitenlandse politiek en de herbewapening.
Aan de hand van recente studies en door uitgebreide herinterpretatie van officiële documenten, getuigenissen en processtukken concludeert Burrin dat het nationaal-socialistische beleid tot aan de herfst van 1941 serieuze 'alternatieven' voor de joden in petto had. Zo vigeerde na de machtsovername in 1933 jarenland een (gedwongen) emigratiepolitiek. Emigratie eerst uit het Reich, later uit bezet Europa. Een inderdaad wel erg omslachtige vernietigingsmethode. Bovenstaande afdoen als een machiavellistische truc van Hitler c.s. is volgens Burrin te simpel. Verder zou met de term Endlösung aanvankelijk deportatie bedoeld zijn en niet fysieke vernietiging.
Er bestonden inderdaad verschillende, serieus te nemen plannen bij de nazi's omtrent de vestiging van een joods reservaat (op Madagaskar, in het gouvernement-generaal in Polen, in Palestina etc.). In het zicht van de aanval op het land van Stalin, werd ook het gebied achter de Oeral als territoriale oplossing overwogen.
Burrin maakt overigens wel duidelijk dat het lot van de joden in de periode 1933-1941 steeds verder verslechterde. De eerste grote stroomversnelling was te zien in 1938: de Anschluss, Weense toestanden, Reichskristallnacht. Vervolgens de aanval op Polen in september 1939, toen ettelijke duizenden leden van de Poolse intelligentia, onder wie vrij veel joden, werden omgebracht. Ten slotte de operatie Barbarossa waarbij na ongeveer twee maanden strijd al een geschatte 50.000 joden (nu ook vrouwen en kinderen) en stalinistische commissarissen werden vermoord. Maar naar het inzicht van Burrin ligt er een wereld van verschil tussen het meest brute en meest openlijke geweld en wat later de rationele en geheime operatie van de genocide zou zijn.
Pas vanaf september 1941 zien we een werkelijk dramatische toename van het aantal joodse slachtoffers. Aan het eind van dat jaar was dat al opgelopen tot zo'n half miljoen. De fatale beslissing, Hitlers Durchführungsbefehl, werd hoogstwaarschijnlijk in genoemde maand gegeven. Het totale Europese jodendom zou letterlijk worden uitgeroeid. Na september 1941 nam volgens Philippe Burrin de bouw van de vernietigingsmachinerie een aanvang.
De achterliggende reden voor het definitieve bevel ontwaart hij in de vastgelopen Blitzkrieg in de Sovjet-Unie, die zich juist rond september voordeed. Hoewel een onmiddellijke nederlaag zich nog niet aftekende, werd steeds duidelijker dat het een langslepend en risicovol conflict zou worden. Temeer daar de Verenigde Staten hun neutraliteit minder in acht waren gaan nemen en de dreigende contouren van de anti-Hitlercoalitie zichtbaar begonnen te worden.
In dit verband heeft Burrin gebruikgemaakt van de funktionalisten die wijzen op het belang van de historische conjunctuur. Maar anders dan deze school bagatelliseert hij niet de invloed van Hitlers antisemitische ideeënkraam op de gebeurtenissen. In de jaren twintig, onder andere in Mein Kampf, had de Beierse agitator - als gefrustreerde nationalistische gelovige bij uitstek - al moeiteloos de Duitse catastrofe van 1918 toegeschreven aan de joodse verraders, die daarvoor ten strengste hadden moeten worden gestraft. In zijn beruchte rede in de Rijksdag (30-1-1939) bracht hij hun liquidatie opnieuw in verband met de naderende wereldoorlog en alle gevaren van dien voor het Duitse achterland. Het internationale jodendom moest niet het lef hebben de triomfantelijke opmars van het Reich te stuiten. Want als dit zou worden geprobeerd, zou dit het einde van het joodse ras in Europa betekenen. Om en nabij september 1941, na jaren van gisting, was voor Hitler het historische moment daar voor de meest radicale wraak. De joden zouden niet nog eens profiteren van een eventuele nederlaag zoals in 1918, terwijl aan de fronten zoveel bloed vloeide van het Herrenvolk. Zo ongeveer moet Hitlers pathologisch-consistente gedachtegang zijn geweest.
Blijft over de meer praktische vraag of de joden, indien nazi-Duitsland in de oorlog had gezegevierd, een holocaust bespaard zou zijn gebleven. Ja - zegt Burrin. "De goede afloop van zijn (Hitlers, OvdH) plannen zou bewijzen dat de joden al met al toch niet zo machtig waren als hij zich had voorgesteld; hun overplaatsing naar een bewaakt reservaat was dan voldoende, ze zouden zijn triomf illustreren". Aan de andere kant veronderstelt hij, ietwat paradoxaal, dat bij een eventuele reservaatoplossing "ontelbaar veel slachtoffers" zouden vallen. En het lot van de joden bij een territoriale oplossing zou naar zijn zeggen niet verschillen van dat der Slavische bevolking in Oost-Europa waarvan de (geplande) verplaatsing "miljoenen doden zou hebben gekost".
Kortom, vanuit wetenschappelijk en theoretisch oogpunt in het zeker relevant en legitiem opnieuw te onderzoeken naar aanleiding waarvan en op welk tijdstip het rampspoedige Durchfürungsbefehl werd versterkt. Burrin heeft wat dit betreft zijn stellingen overzichtelijk uiteengezet. Dat is de moeite waard omdat over dit specifieke onderwerp, naar het schijnt, in het Nederlandse taalgebied nog weinig materiaal voorhanden is. Iets als de emigratiepolitiek (1933-1939) kan moeilijk worden gebagatelliseerd en heeft daarom niet ten onrechte de nodige aandacht gekregen in zijn boek.
Desondanks lijkt Burrin, zoals blijkt uit de geschetste tegenstrijdigheid, bewust of onbewust de betrekkelijkheid van zijn historische speurtocht te hebben aangegeven.
zaterdag 1 juni 1991
TRIOMF VOOR STALIN - TRAGEDIE VOOR HET VOLK
n.a.v. Dmitri Volkogonov, Triomf en tragedie - een politiek portret van Jozef Stalin (1990).
in: Socialisme & Democratie, juni 1991.
Otto van de Haar
Een serieuze Nederlandstalige biografie van Sovjetorigine bestond tot voor kort niet. Wel verscheen in 1973 bij Paris-Manteau het bekende Laat de geschiedenis oordelen; ontstaan en gevolgen van het Stalinisme van de toenmalige dissident en historicus Roj Medvedev (1). Maar de titel geeft al aan dat het hier gaat om de analyse van een 'isme'. Verder bracht uitgeverij Pegasus eind jaren veertig de vertaling van Stalin - kratkaja biografie (korte biografie) op de markt van de hand van P. Pospelov e.a. Helaas gaat deze levensbeschrijving gebukt onder een zware hagiografische last, niet in de laatste plaats omdat Stalin zelf over de schouders van de auteurs heeft meegekeken. Van een heel ander kaliber is Volkonovs Trioemf i tragedia, polititjeski portret I.V. Stalina (2), dat in de herfst van 1989 werd voltooid. Vorig jaar volgden de Duitse en Nederlandse vertaling, terwijl voor 1991 de Franse en Engelse versie zijn aangekomdigd. Aangezien de schrijver al in 1979 is begonnen met zijn ruim duizend pagina's tellende portret, heeft hij slechts in beperkte mate kunnen profiteren van de 'historiografische glasnost'. Met de titel van het boek geeft Volkogonov aan dat het des te tragischer is geteld met de volkssoevereiniteit naarmate Stalin meer triomfeerde.
Dmitri Antonovitsj Volkogonov, geboren in 1928 in Tsjita en sinds 1950 partijlid, is doctor in de filosofie en was na de oorlog tevens generaal-kolonel in het leger. Sinds 1988 staat hij aan het hoofd van het invloedrijke instituut voor militaire geschiedenis, een afdeling van het ministerie van Defensie. Zijn vader, een leergierige en enigszins ontwikkelde boer, stierf in 1937 als gevolg van de stalinistische terreur. Deze droevige gebeurtenis vormde de achtergrond van zijn boek. De al genoemde Medvedev heeft op vergelijkbare wijze een anti-stalinistische impuls uit zijn jeugd meegekregen. Ook hij zag zijn vader eind jaren dertig voor de laatste maal (3). Van (blijvende) wraakgevoelens ten opzichte van het systeem is bij Volkogonov overigens geen sprake. 'Onze staat heeft mij opgevoed', vertelde hij in een interview in 1988, 'heeft mij laten leren, mij tot mens, tot doctor en professor gemaakt. Daarvoor zal ik altijd dankbaar zijn' (4).
Chroesjtsjov
Het verrast niet dat zowel de filosofische als de militaire kennis van de schrijver in Triomf en tragedie terug te vinden zijn. Wat hem echter, naar mijn oordeel, in doorslaggevende mate heeft beïnvloed, is Chroesjtsjovs - vaak geciteerde, maar minder gelezen - geheime anti-Stalinrede die klonk op het twintigste congres van de CPSU in 1956. Ook Medvedev, recentelijk weer partijlid geworden, heeft dikwijls het belang onderstreept van dit 'sleuteldocument'. Vanuit het Westen is terecht gewezen op de ontoereikendheid van Chroesjtsjovs speech als verklaring van het stalinisme. Tegelijk moet in het oog gehouden worden dat er in alle geledingen van de Sovjetmaatschappij nog velen zijn die zich niet neer willen leggen bij de strekking van genoemde rede. Aan het slot van zijn boek schrijft Volkogonov nogal bescheiden dat Chroesjtsjovs verslag voor hem een 'aanvullende mogelijkheid' vormde voor het begrijpen van Stalin en zijn tijd (5). Voor een deel is dat dat juist. Triomf en tragedie bevat een schat aan soms nog niet eerder gepubliceerde, vooral militaire, documenten en steekt ruimschoots uit boven Nikita's verslag. Volkonov heeft uitgebreid gebruik kunnen maken van het staatsarchief van het Rode leger en de generale staf, het hooggerechtshof en het centrale partijarchief. Verder bestudeerde hij Russische kranten en periodieken alsmede werk van enkele buitenlandse historici zoals Stephen Cohen en Adam Ulam. Isaac Deutschers Trotski-bigrafie is hem evenmin ontgaan. Ten slotte voerde hij gesprekken met talrijke figuren uit Stalins inner circle. Dmitri Volkogonov geeft geïnformeerde schetsen van Stalins bolsjewistische partijgenoten, variërend van directe medeplichtigen als Beria, Kaganowitsj en Molotov, tot aan diegenen die vroeg of laat verzet hebben aangetekend tegen de despoot, zoals Boecharin en uiteraard Trotski. Over de laatste concludeert de biograaf - en dit is een doorbraak in de Sovjethistoriografie - dat niemand zoveel heeft bijgedragen aan de ontmaskering van Stalin als hij. Maar hij kritiseert Trotski ook als zijnde 'een apologeet van de sociale terreur'(6). Van dit alles was in de zestig velletjes tekst van Chroesjtsjov natuurlijk geen sprake (7).
In analytisch opzicht is Volkogonovs boek echter niet veel meer, maar ook niet minder, dan een gedetailleerde en genuanceerde uitwerking van genoemde redevoering. Of het nu gaat over Stalins falende rol in de Tweede Wereldoorlog, de scherpe veroordeling van de Stalincultus vanaf de jaren dertig, de interpretatie van Lenins testament of over de stalinistische geschiedschrijving en de negatieve beoordeling van de interne partijoppositie in de jaren twintig - de gelijkenis is treffend. Een uitzondering vormt zijn betoog over de gedwongen landbouwcollectivisatie. Hierdoor vertoont Volkogonovs relaas ook overeenkomstige defecten. Ik noem slechts het feit dat de auteur de Stalincultus - als was het een parodie - heeft vervamgen door een adoratie voor lenin. Tussen beide figuren zou een dikke scheidswand hebben bestaan. Een ander zwak punt is dat Stalins dubieuze rol inzake de communistische internationale (1919-1943) niet goed is onderzocht.
Cultus
Vooral na de overwinning op nazi-Duitsland bereikte de bewieroking van Josef Vissarionovitsj Dzjoegasjvili (1879-1953) haar hoogtepunt.