zondag 1 juli 2001

BANDIETENKAPITALISME

Stephen F. Cohen, Failed Crusade; America and the Tragedy of Post-Communist Russia (2000).

In: Historisch Nieuwsblad, juli 2001.

 Otto van de Haar

BANDIETENKAPITALISME

Na zijn beroemd geworden politieke biografie van de communistische econoom en partijleider Nikolaj Boecharin uit 1973, publiceerde de Ameikaanse hoogleraar Stephen Cohen onlangs Failed Crusade. America and the Tragedy of Post-Communist-Russia.
Aan de hand van cijfermateriaal en voorbeelden uit de praktijk weet Cohen de stelling te onderbouwen dat de economische shocktherapie die sinds 1991 onder Jeltsin werd toegediend aan de Russische patiënt geen therapeutische maar een traumatische uitwerking heeft gehad. Als voorbeeld noemt hij de Russische kinderen: 'Zelfs als we miljoenen wezen, daklozen en ondervoede kinderen buiten beschouwing laten, is 50 tot 80 procent van alle schoolgaande kinderen lichamelijk of geestelijk niet in orde'. Een tweede probleem ten gevolge van de economische crisis is de dreiging van grote ongelukken bij tientallen Russische kernreactors. En ten slotte laten de zogenaamde 'democratische ontwikkelingen' van de afgelopen tien jaar volgens Cohen eerder regressie dan vooruitgang zien. Jeltsin heerste door middel van decreten - soms meer dan 2000 per jaar - ten koste van het parlement. Het is niet verwonderlijk dfat hij het bij zijn aftreden zo regelde dat hij immuun werd voor rechtsvervolging door zijn opvolger Poetin.
De Amerikaanse hoogleraar stelt dat de 'Washington Consensus' - een verbond van beleidsmakers, specialisten en media - in hoge mate medeplichtig is aan dit, in de woorden van de Poolse oud-dissident Adam Michnik, 'bandietenkapitalisme'. Systematisch is er door Clinton/Gore en hun 'cheerleaders' uit de journalistiek (als 'Business Week' of de 'New York Times') en uit de wetenschap (het 'Institute for International Development' van Harvard) een veel te rooskleurig beeld geschetst van de situatie in Rusland. De verarming van grote delen van de bevolking werd onverschillig weggewuifd met nietszeggende uitspraken als 'transitionele periode' en 'je kunt omelet maken zonder eieren te breken'. Cohen werpt de vraag op waarom er geen 'derde weg' werd (en wordt) bewandeld, met een gemengde economie en een geleidelijke ontwikkeling.
Twee jaar voor de financiële ineenstorting van 1998 (en Jeltsins herverkiezing) werd Cohen 's avonds in Moskou opgebeld door iemand uit het middenkader van het IMF die hem 'in vertrouwen' meedeelde dat Cohens kritiek 'dringend noodzakelijk' was maar dat 'ik en mijn collega's dit niet kunnen zeggen', Cohen vond het best aardig om uit onverwachte hoek een steuntje in de rug te krijgen, maar betreurde wel de manier waarop. Het deed de auteur denken aan al die mensen uit de oude sovjetbureaucratie, die destijds hun dissidente opvattingen alleen in privé-gesprekken met hem naar voren durfden brengen.


zaterdag 18 december 1999

POSTMODERNE BEELDENSTORM

POSTMODERNE BEELDENSTORM

n.a.v. de 10-delige televisieserie Bestaat Nederland wel? (NPS) (1999)

In: VPRO-gids, nr. 51, 18 t/m 24 december 1999.

 Otto van de Haar (met dank aan Peer Vries).

Het is snel, onderhoudend en er mag gelachen worden. Tot zover geen klachten over de nieuwe serie geschiedenisdocumentaires van de NPS, Bestaat Nederland wel? Maar is deze poging tot histo-tainment niet een al te grote knieval voor de zappende kijker? Gaat het, kortom, ook nog ergens over?

Op 22 december start de NPS een 10-delige serie geschiedenisdocumentaires onder de titel Bestaat Nederland wel? Een prikkelende vraag. De mondialisering heeft immers geresteerd in een eenheidsworst. Met onze smaakvolle maat- en mantelpakken, onze muizen (en muisarmen), MacDonalds en Marlboro's is ieder onderscheid tussen Madrid, Londen en Amsterdam verdwenen. De ongekende communicatiemogelijkheden lijken deze tendens alleen maar te versterken. Maar als we uitgaan van wat in de hoofden van Nederlanders omgaat, zal de vraag of 'Nederland wel bestaat' eerder bevestigend beantwoord worden. Alleen al het periodieke gesputter hier te lande tegen de Europeanisering - dat niet herleid kan worden tot uitsluitend economische onrust - is een signaal. Bestaat er dan een typische Nederlandse mentaliteit? Beschikken Nederlanders ondanks de vele razendsnelle maatschappelijke veranderingen over iets blijvends, over bepaalde tradities? En zo ja, waar komen die dan vandaan?

De makers van Bestaat Nederland wel? hebben kunnen profiteren van de binnenkort te verschijnen wetenschappelijke boekenreeks over vier eeuwen 'Nederlandse cultuur in context', die gefinancierd wordt NWO, de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek. Enkele auteurs die verantwoordelijk zijn voor de boekenreeks komen ook aan het woord in de serie. Er wordt uitgegaan van een 'wederzijdse aanvulling' maar voor het overige staan televisieserie en boeken op zichzelf. De makers van de televisieprogramma's zijn door roeien en ruiten gegaan om de serie - in de woorden van eindredacteur Carla Tromp - 'toegankelijk', 'humoristisch' en 'eigenzinnig' te maken. Het onderscheid in aanpak tussen beide komt alleen al in de totaal verschillende subtitels naar voren. Terwijl de wetenschappelijke boeken bezonnen opschriften  dragen als Bevochten eendracht, Hoogtij van burgerlijke cultuur en Rekenschap, klinken de tv-afleveringen zo: Wraak!, Gezellig!,  Zorgzaam!,  Orde!, Tolerant!,  Liefde!,  Weetgierig!,  Religieus!,  Vredelievend!, Angst!.

Verteller is Herman Beliën (1948), die aan de hand van deze topics de 'Nederlandse' normen en waarden in een historisch kader plaatst. Hij is docent geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam, schreef een aantal geduchte geschiedenishandboeken, met als tegenwicht een veelvoud aan reisgidsen. Bovendien herkennen we in hem de presentator van de Quiz van de eeuw, een, laten we zeggen, niet erg bruisend (geschiedenis)programma. In deze documentairereeks is zijn optreden aanmerkelijk buitenissiger. Ik herinner me tenminste niet dat Lou de Jong, Jan Bank of Hermann von der Dunk, die alle drie geschiedenisseries op de televisie presenteerden, ooit ter wille van hun betoog in een koeiensloot dook, een klapstaartende zeemeermin op het strand trokken of in kamikaze-outfit op de grootste shovel van Nederland klauterden. Herman Beliën reist van hot naar her door Nederland om zijn betoog te illustreren. Hij loopt mee in een processie, zit in een dwangbuis geknoopt, bestrijdt ratten, martelt een barbiepop, of bestijgt, verkleed als luis het podium om uit Bredero re declameren. Met de 'deskundige', die staand voor een sober decor zijn verantwoordelijke verhaal houdt, eventueel verluchtigd met 'archiefbeelden', heeft dit weinig te maken. Deze verteller participeert, verbindt de geschiedenis waar mogelijk met voorbeelden uit zijn persoonlijk leven en geeft een mening. Er valt voor een dergelijk 'histo-tainment' op zichzelf wel wat te zegen: er is veel te zien, het gaat lekker snel, de thema's sluiten beslist aan bij de belevingswereld van de leerling', i.c. de kijker en het bevat humor. Maar bijna onvermijdelijk volgt nu de kind- en badwaterkwestie. Het is allemaal zo leuk, droogte en saaiheid zijn zo rigoreus uitgebannen, dat de kijker - afgeleid door de beeldenbulk - regelmatig denkt: wat zei hij nou? Wat is er intussen te zeggen over de inhoud? De programmamakers hebben gekozen voor een thematische aanpak maar daarbij is de chronologie soms wel erg ver te zoeken. Beliën trekt voortdurend vergelijkingen tussen toen en nu - waarbij vroeger nu eens de jaren zestig, dan weer de 19de en vervolgens de 17de eeuw kan zijn. Het wilde geschakel van de ene eeuw naar de andere werkt vaak verwarrend.

In het algemeen geldt dat Bestaat Nederland wel? een erg Randstedelijk gebeuren is. Zo is er veel aandacht voor de eeuwenoude strijd tegen de zee, die de Nederlandse kusten bedreigde. Maar voor de 'negers en indianen' uit de Achterhoek en Limburg heeft die ervaring weinig betekenis. Verdient het gevecht tegen die vermadelijde waterwolf überhaupt wel zo veel aandacht? Een keuze voor zoiets als de verschillende culturen door de eeuwen heen is weliswaar minder heroïsch, maar lijkt me toch zinvoller. Ook de nadruk op het protestantisme en de (zee)handel geven blijk van een Randstedelijke overdosis. En dan is er nog het melig gebrachte cliché onderwerp 'gezelligheid', waarin we worden ingelicht over het gezins- en verenigingsleven, met als climax prins carnaval. Is het nou echt nodig om daar tien procent van de serie voor uit te trekken? Nog afgezien van de vraag of deze gezelligheid nog wel  reëel is in het geïndividualiseerde Nederland.

Toch valt over de documentaires heus wel wat goeds te melden. In de uitzending over wraak bijvoorbeeld wordt subtiel aangegeven dat ons taboe op openbare wraak vaak stoelde op pragmatische (handels)gronden. En toen we in 1870 als eerste land in West-Europa de doodstraf afschaften, vergaten we onze overzees rijksdelen. Ook de aflevering over de bedenkelijke kanten van onze zorgzaamheid ten opzichte van gestoorden is de moeite waard. Of neem Vredelievend! Hierin laat Beliën zien dat Hugo de Groot, ontwerper van baanbrekende rechtsregels om oorlogen aan banden te leggen en door arbitrage te voorkomen, ook de De Vrije Zee schreef, een verhandeling louter ter ver rechtvaardiging van het expansiebeleid van de Republiek en zijn kooplieden. Van hieruit trekt hij een lijn naar het einde van de 19de, begin 20ste eeuw toen de door Wilhelmina bewonderde generaal van Heutsz de moslims op Sumatra liet kennismaken met de Nederlandse identiteit. Als klein land in Europa, concludeert Beliën, waren we maar wat graag vredesstischters, elders deden we als koloniale grootmacht niet onder voor Engeland of Frankrijk. En wie dacht dat de grote vredesdemonstraties en de 'hollanditis' uit de jaren tachtig voorbeelden waren van de Nederlandse vredelievendheid komt bedrogen uit. Zij worden behandeld in Angst! Mooie momenten zijn er ook in de afleveringen over tolerantei en religiositeit. Eindelijk kunnen we lezen in artikel 13 van de Unie van Utrecht (opgesteld in 1579, tijdens de Opstand tegen het katholieke Spanje) waarinvoor het eerst in de wereldgeschiedenis het principe van de gewetensvrijheid werd vastgesteld: '...dat een ieder particulier in zijn religie vrij zal zijn...'

Dat 'tolerantie' en 'gedoogbeleid' een lange Nederlandse geschiedenis kennen laat Beliën treffend zien aan de hand van een plattegrond van Amsterdam waarop met lichtjes de 'schuilkerken' in de 17de eeuw (dominante godsdienst inmiddels: de hervormde) te zien zijn. Het zijn er tientallen: de katholieke, de joodse, de lutherse, de Engelse, de doopsgezinde..Zoiets zal je in Madrid niet aantreffen. Als er maar voor betaald werd aan de overheid, dan kom er een hoop geregeld worden voor tweederangsburgers in de Republiek en ook in later eeuwen. Maar, zoals de joodse Nederlander Albert de Mesquita terecht aantekent, deze tolerantie had niets uitstaande met solidariteit, zoals de joden tijdens de Tweede Wereldoorlog ondervonden. Ondanks dat de serie als geheel verre van briljant is, krijgt de kijker toch heel wat boeiende facetten te zien van de Nederlandse culturele identiteit. De serie is op zijn sterkst daar waar we worden geconfronteerd met de paradoxale trekjes ervan.

 













 

zaterdag 1 mei 1999

ISRAËLS BEELDENSTORMERS

N.a.v. Dominique Vidal (avec Joseph Algazy), Le péché originel d'Israël. L'expulsion des Palestiniens revisitée par les 'nouveaux historiens' israéliens (1998).


In: Historisch Nieuwsblad, mei 1999.

Otto van de Haar

  

Eind jaren tachtig werden in Israël de meeste staats- en legerarchieven opengesteld. Sindsdien roeren zich daar de 'nieuwe historici' - Benny Morris, Ilan Pappé, Avi Shlaim ontkrachten de mythe waarmee de vestiging van de joodse staat omgeven is.

Vorig jaar verscheen in Frankrijk Le péché originel d'Israël van Dominique Vidal. De auteur, Midden-Oostenspecialist van Le Monde Diplomatique, vraagt in dit boek aandacht voor de zogenaamde 'nieuwe historici' uit Israël. Aan zo'n overzicht bestond grote behoefte: in Europa zag nog maar weinig werk van deze 'iconoclasten' het licht; Nederland laat het in dit verband zelfs helemaal afweten.
De grondleggers van de staat Israël waren steeds wijze, door en door betrouwbare lieden, die als de situatie het maar even toeliet het compromis zochten, terwijl  de Arabische leiders uitmuntten in fanatisme en boosaardigheid. Verder heeft 'David' in 1948 een wonderbaarlijke overwinning op 'Goliath' behaald en zijn de honderdduizenden Palestijnen vertrokken op basis van vrijwilligheid. Ziedaar het beeld dat uit de traditionele geschiedschrijving over de (burger)oorlog van 1947-1949 opduikt. De nieuwe historici slaan dit beeld aan gruzelementen. Ondanks geestdriftige tegenstand van conservatieve zijde - Efraïm Karsh betitelde de nieuwe historiografie als new distortiography - is hun invloed op het academisch establishment, in de radio-en televisiewereld en bij de links-liberale persorganen duidelijk merkbaar.
De 'oude' historici maken dus niet helemaal de dienst uit, zoals een van de nieuwe historici, Benny Morris, in de Frankfurter Allgemeine Zeitung zelf ook vaststelde. Morris verwees vorig jaar in deze krant naar een recent boek van de uitgeverij van de Israëlische Strijdkrachten, ooit een bastion van de oude geschiedschrijving. In dit boek, dat de activiteiten behandelt van het Negende Bataljon, worden op aanschouwelijke wijze de liquidaties van Arabische burgers en Egyptische krijgsgevangenen tijdens de oorlog van 1948 uit de doeken gedaan. De toegenomen invloed van de nieuwe historici in de journalistiek laat zich illustreren door een besprekingsartikel uit het begin van 1998 in Ha'aretz dat verscheen naar aanleiding van het vijftigjarig bestaan van de joodse staat. De auteur merkt op: 'Merkwaardig, dit boek maakt geen enkele melding van het bestaan van een Palestijns volk, noch vóór de vestiging van Israël, noch erna en evenmin van het verdelingsplan van 1947 dat twee staten had gecreëerd in Palestina - de ene joods, de andere Arabisch'.

Sadat

In 1977 bracht Sadat een bezoek aan Israël. Volgens de Franse commentator Raymond Aron (L'Express, november 1977) kwam de handelwijze van de Egyptische president neer op datgene wat 'de Israëli's sinds 1948 tevergeefs hebben nagestreefd'. Deze voorstelling van zaken lijkt als twee druppels op die van de officiële historiografie: anders dan de agressieve Arabische buren was Israël de vrede met hart en ziel toegedaan. Maar was Sadats stap in 1977 wel zo uitzonderlijk? Geenszins. Van Arabische zijde was al veel eerder naar openingen gezocht. Hiervan had Israël misschien kunnen profiteren maar volgens de nieuwe historici ontbrak juist bij dit land de wil. Lente 1949 verklaarde de Syrische leider Hoesni Zaim bijvoorbeeld dat hij in ruil voor enkele Israëlische grond- en waterconcessies bereid was te onderhandelen over een vredesverdrag en over de opname van grote aantallen Palestijnse vluchtelingen. President David Ben-Goerion negeerde deze toenaderingspoging. Vidal haalt de conclusie aan van een nieuwe historicus die onderzoek verrichtte naar het ontstaan van het Arabisch-Israëlisch conflict, Ilan Pappé: 'Er waren heel wat Arabische leiders die vrede met de nieuwe joodse staat zochten; sommigen van hen kregen van de zijde van Israël slechts botte afwijzigingen te slikken'.

'Zevenhonderdduizend Joden meten zich met 27 miljoen Arabieren - één op veertig'. Aldus informeerde Ben-Goerion op 16 juni 1948 zijn voorlopige regereing over de toestand in het land. Analyseert de traditionele Israëlische historiografie de situatie van een halve eeuw geleden in soortgelijke termen, de research van de nieuwe historici heeft geleid tot een reëler inzicht in de (militaire) krachtsverhoudingen. Uiteraard behoorde Israël toen nog niet tot de machtigste atoommogendeheden van de wereld, maar volgens Vidal tonen Morris cum suis overtuigend aan dat de Yishoev (de joodse gemeenschap in Palestina) respectievelijk Israel vrijwel steeds superieur was: moreel, maar ook materieel, financieel en logistiek. Slechts tussen 15 mei en 11 juni 1948 was de situatie fifty-fifty.  

De Israëlische strijdkrachten, benadrukt de officiële geschiedschrijving terecht, ondervonden tijdens de 'Onafhankelijkheidsoorlog' hinder van een westerse wapenembargo. De nieuwe historici die een blik hebben geworpen in de eveneens opengestelde staatsarchieven van de Verenigde Staten en Groot-Brittannië laten evenwel zien dat ook 'Goliath' destijds erg moeilijk aan wapens kon komen.
Weggemoffeld in de traditionele historiografie is ook de verdeeldheid in de Arabische wereld, die in het voordeel van Israël uitpakte. Avi Shlaim heeft gewezen op de geheime overeenkomst die de de zionistische beweging/Israël eind 1947 sloot met (Trans)Jordanië, toentertijd het land met het beste leger van de Arabische wereld. Door deze overeenkomst werd - tegen het beleid van de Verenigde Naties in - de komst van een onafhankelijk Palestijnse staat naast Israël verhinderd.

Palestijnse vluchtelingenkwestie

De meeste plaats ruimt Vidal in voor de Palestijnse vluchtelingenkwestie. Voor iemand als Shabtai Teveth - ook wel de 'officiële vertegenwoordiger van Ben-Goerion op aarde' genoemd - heeft deze kwestie een simpele oorzaak: de Palestijnen zouden vrijwillig zijn vertrokken nadat zij hiertoe waren aangespoord door de Arabische leiders, die vervolgens Israël van uitdrijving beschuldigden. Hiertegenover staat de conclusie van Benny Morris, die het 'vertrek' van de Palestijnen minutieus heeft bestudeerd: niet de Arabische landen maar de verschillende Israëlische strijdeenheden waren in de meeste gevallen direct verantwoordelijk. Yitzhak Rabin stipuleerde in juli 1948 dat 'de inwoners van Lydda [Lod] ongeacht hun leeftijd moeten worden uitgedreven', en deze order stond bepaald niet op zichzelf. Morris gaat ook in op de dubbelzinnige rol van staatshoofd Ben-Goerion. Deze hield het in openbare redevoeringen netjes en keek wel uit schriftelijke uitdrijvingsbevelen te geven. Zoals Morris aannemelijk maakt, opereerden de Israëlische gevechtseenheden niettemin met diens stilzwijgende toestemming. Ten slotte laat Morris zien dat het denken in termen van verdrijving ('transfer') al lang vóór 1948 vaste voet had gekregen binnen de zionistische beweging.

Ontmythologisering

Naar het inzicht van Morris was het uiteindelijk de oorlog van 1948 die de zionisten ertoe bracht om de Palestijnen te verdrijven. Deze oorlog was historisch 'onvermijdelijk' en voor geen van de oorlogvoerende partijen een hartenwens. Vidal lijkt deze constatering wat geforceerd te vinden. Uit Morris' eigen onderzoek komt namelijk naar voren dat de verdrijving van de Palestijnen al ver voor de oorlog van 1948 op de agenda van de zionistische beweging stond. Aan Morris' paradoxale standpunt ligt vermoedelijk een dilemma ten grondslag. Aan de ene kant weigert hij, anders dan de oude historici, weg te lopen voor het feit dat de verdrijving van de Palestijnen iedere rechtsgrond miste en dat de verantwoordelijkheid hiervoor op de schouders rust van de joodse staat. Aan de ander kant beschouwt hij zionisme - net als de meeste andere nationale bewegingen - recht heeft op eigen staat.
Hoe dit zij, Dominique Vidal laat er geen misverstand over bestaan dat hij de nieuwe historici hogelijk waardeert. Hij prijst terecht hun moed. Uit het recente geschiedonderzoek rond Hendrikus Colijn en de houding van koningin Wilhelmina tegenover de Nederlandse joden in de jaren dertig en veertig blijkt hoe moeilijk ontmythologisering kan zijn. Open archieven is één ding, onpopulaire feiten aan het licht brengen over de nationale geschiedenis is een ander.

[ zie ook voor een update: https://zeithistorische-forschungen.de/3-2019/5796 ]


woensdag 4 november 1998

ÉÉN SYNAGOGE BRANDDE NIET

Vor sechzig Jahre. Die Synagoge die nicht brannte

n.a.v. Rückblende, West 3, 23.15 -23.30 uur.

in: VPRO gids, 4 november 1998.

Otto van de Haar

'Als ik terug wil naar het hotel, zie ik een bloedrode gloed aan de hemel...We blussen alleen voor zover noodzakelijk voor de belendende percelen. Voor de rest moet alles platgebrand worden...Uit het hele Reich komen nu berichten binnen: vijftig synagogen staan in brand, dan zeventig. De Führer heeft bevolen 20 à 30.000 joden onmiddellijk in hechtenis te nemen...In Berlijn zijn vijf, dan vijftien synagogen platgebrand. Thans raast de volkswoede...zij moet de vrije teugel gelaten worden'.

Deze energieke passage, gedateerd 10 november 1938, is terug te vinden in de duizenden pagina's beslaande dagboeken van de geslepen propagandaminister dr Joseph Goebbels. Op die beruchte datum vond in hele Groot-Duitse Rijk de Kristallnacht plaats. Goebbels wekte graag de indruk als zou het hier gaan om een uitbarsting van 'spontane antijoodse volkswoede'. In werkelijkheid was deze pogrom door hemzelf in het geheim georganiseerd en werd hij uitgevoerd door fanatieke activisten van de nazi-partij, de SA en de Gestapo. De totale balans van een etmaal staatsterreur loog er niet om: 91 joden vermoord, tientallen zelfmoorden, joodse begraafplaatsen vernield, 7.500 bedrijfspanden geplunderd of verwoest, ruiten aan het diggelen gesmeten, archieven van de joodse gemeenten in beslag genomen en ondergebracht in het "Onderzoeksinstituut voor de Joodse Kwestie' te Frankfurt. Ongeveer 30.000 joden werden naar concentratiekampen gezonden. Vrijlating volgde op voorwaarde dat zij zich spoorslag richting grens begaven en nooit meer een voet op 'Duitse bodem' zouden zetten. Dit was één van de doelen van de Rijkspogrom: joden het leven zo zuur maken, dat zij vanzelf tot emigratie zouden besluiten. Ten slotte werden niet minder dan 267 synagogen in de as gelegd. 

Met de 'spontane volkswoede' viel het dus nogal mee. Zo eensgezind was de 'deutsche Volksgemeinschaft' nu ook weer niet. De van oorsprong Tsjechische historicus Saul Friedländer diept in zijn boek Nazi-Duitsland en de Joden; de jaren van vervolging 1933-1939 rapporten van Hitlers Sicherheidsdienst op, waaruit blijkt dat er wel degelijk ook kritische tonen te beluisteren vielen over de gewelddadige S.A.-terreur en de aangerichte schade. Deze bedroeg overigens een miljard goudmark en diende door de joden zelf opgebracht te worden. Volgens Friedländer waren er wrede, sadistische daders, een aantal omstanders dat beschaamd reageerde, anderen die gniffelden en een overgrote meerderheid die zweeg. 

Maar ook al kon de doorsnee Duitser weinig enthousiasme opbrengen voor de geweldsuitbarsting, concreet verzet was er nauwelijks. Daarom is het des te interessanter dat regisseur Armin Steuer met zijn documentaire 'Vor 60 Jahren. Die Synagoge die nicht brannte' laat zien dat enkele leden van de Berlijnse Schutzpolizei van het 16de district in het oostelijk stadsdeel, onder wie Oberleutnant Wilhelm Krützfeld, erin slaagden om de geplande brandstichting van de synagoge in de Oranienburgerstrasse op het nippertje te verhinderen. Volgens Armin Steuer beriep Krützfeld zich hierbij op en oude verordening van de Kaiser die de synagoge onder 'monumentenzorg' had laten vallen. In dit district woonden veel joden en Krützfeld en de zijnen hebben ook na 1938, ondanks uitdrukkelijke dienstverordeningen, joden geholpen. In de laatste oorlogsmaand hebben enkele 'onwillige' politieambtenaren hun verzet met de dood moeten bekopen. In 1943 werd de synagoge, die plaats bood aan 3.200 mensen en één van de grootste van Berlijn was, alsnog verwoest. Door een Engelse bom. Na in de jaren tachtig onder DDR-leider Erich Honecker te zijn gerestaureerd, doet zij tegenwoordig dienst als museum.

vrijdag 2 januari 1998

DE BEAUVOIR: 'IK WIL MIJN EIGEN KEREL!'


'IK WIL MIJN EIGEN KEREL'

In: VPRO-gids, 2 t/m 8 januari 1998. 

Otto van de Haar (Met dank aan Maarten van Bracht).

In plaats van De Plantage wordt zondagmiddag "Simone de Beauvoir: Walk on the Wild Side" uitgezonden. Deze BBC-documentaire gaat over de langdurige relatie tussen feministisch boegbeeld Simone de Beauvoir en de Amerikaanse schrijver Nelson Algren.

In 1995 drukte de Times Literary Supplement een lijst af met de honderd invloedrijkste westerse boeken sinds de Tweede Wereldoorlog. Een van de vijf boeken van vrouwen die doordrongen tot deze prestigieuze 'top 100' was De tweede sekse van Simone de Beauvoir. In die studie wordt de mannelijke mystificatie over 'de vrouw als afgeleide van de man' vakkundig naar de prullenbak verwezen. 'Vrouwelijkheid' was in de ogen van De Beauvoir een sociale constructie en geen vaststaand biologisch gegeven. Toen De tweede sekse eind jaren veertig door Gallimard op de markt werd gebracht, was het vrouwenkiesrecht in Frankrijk nog maar net ingevoerd.

Lange tijd gold Simone de Beauvoir als koel en arrogant. Totdat in 1998 de brieven aan haar minnaar, de Amerikaanse schrijver Algren werden uitgegeven. Uit Een transatlantische liefde. Brieven aan Nelson Algren, 1947-1964 blijkt dat De Beauvoir ook zeer sensueel en onzeker is geweest. Op de intensiteit van deze relatie had zij overigens al gezinspeeld in haar fameuze sleutelroman De Mandarijnen. 
Doelend op Algren, die in dit boek schuilging achter de naam Lewis Brogan, schreef ze: 'Mijn lichaam stond op uit den dode...alsof mijn hele leven tot nu toe een een ziekte was geweest waarvan ik nu bezig was te herstellen'. Ze leerden elkaar in 1947 kennen in Chicago. De Beauvoir was toen in de Verenigde Staten om lezingen te geven. Sindsdien trokken ze doorgaans enkele maanden per jaar met elkaar op. Zij liet hem Parijs, Zuid-Europa en Noord-Afrika zien. Hij toonde haar Midden-Amerika en zijn woonplaats Chicago. In zijn boek The man with the golden arm (1949) schreef hij met compassie over wat hij 'real people' noemde: de junkies, prostituees en diefjes uit de slums. Hiervoor ontving hij de National Book Award.

Algren leed, misschien nog wel meer dan De Beauvoir, onder de lange periodes waarin de Atlantische Oceaan hen van elkaar gescheiden hield. Vanuit Amerika stuurde hij brieven en verzond hij grote pakketten levensmiddelen (inclusief inktpotten en flessen whisky) naar Frankrijk, waar nog schaarste heerste ten gevolge van de oorlog.
Algren toonde veel belangstelling voor haar werk en gaf haar nuttige informatie ten behoeve van De tweede sekse. In een brief aan hem, gedateerd 21 januari 1949, liet ze zich over dit feministische standaardwerk ontvallen: 'O God! Ik heb alle boeken gelezen die er ooit door en over vrouwen zijn geschreven en ik ben ze allemaal meer dan zat. Ik wil mijn eigen kerel!'
Deze prikkelende passage wordt geciteerd door Deirdre Bair in haar biografie van De Beauvoir uit 1990, maar de bewuste brief is niet opgenomen in Een transatlantische liefde. Ook Bettina Drew citeert in haar biografie Nelson Algren: A Life on the Wild Side (1989) een brief van De Beauvoir aan Algren die er niet in blijkt te zijn opgenomen. Merkwaardig, want in haar voorwoord beweert bezorgster Sylvie le Bon, de aangenomen dochter van De Beauvoir, dat het een integrale uitgave is.

In de BBC-documentaire Simone de Beauvoir - Walk on the Wild Side (1997) wordt de relatie tussen Algren en De Beauvoir uit de doeken gedaan door biografe Bettina Drew, Sylvie le Bon, Michelle Vian (een ex van Sartre die voor Algren tolkte als hij in Parijs was), en Algrens literaire vrienden. Een van hen, Dave Peltz, vertelt indringend hoe Algren, mede door de slechter wordende relatie met De Beauvoir, in een zware persoonlijke crisis verzeild was geraakt. Een ambitieus opgezet boek waaraan hij begin jaren vijftig werkte (met de veelzeggende titel Entrapment) bleef onvoltooid en werd nooit gepubliceerd. In de documentaire is een pagina van het manuscript te zien waarin de getypte letters zijn bedolven onder de doorhalingen. A walk on the wild side (1956) voltooide hij nog wél, maar volgens Dave Peltz was het merendeel van de kritieken vernietigend. Algren, een macho met een dunne huid, 'never came over it'. In 1964 verbrak hij de relatie. Aanleiding was dat De Beauvoir hun intieme verhouding herhaaldelijk gebruikte voor haar boeken, wat hem mateloos frustreerde. 'Mademoiselle Utter Driveleau [Juffrouw Kakel in het Kwadraat] has reached complete pomposity'.
Algren had simpelweg verwacht dat De Beauvoir zich voorgoed bij hem zou voegen, en hij zag ook reikhalzend uit naar een kind. Maar De Beauvoirs gedreven, succesvolle schrijverschap en haar intellectuele trouw aan Sartre weerhielden haar, zij het niet zonder aarzeling. Tevergeefs poogde ze Algren met prachtige volzinnen van haar keuze te overtuigen. Volgens Algrens biografe was hij, in tegenstelling tot De Beauvoir, 'totally involved'. Totally? Ook Algren bleef omwille van het schrijverschap - hoe gemankeerd ook - in Chicago, zoals De Beauvoir in Parijs bleef.

Naar aanleiding van de BBC-documentaire Simone de Beauvoir: Walk on the Wild Side.



 


donderdag 5 juni 1997

OVER COLLECTIEVE VERANTWOORDELIJKHEID

n.a.v. Edouard Husson, Une culpabilité ordinaire? Hitler, les Allemands et la Shoah. Les enjeux de la controverse Goldhagen (1997).

 

Franse historicus Edouard Husson geeft Daniel Goldhagen reliëf

OVER COLLECTIEVE VERANTWOORDELIJKEID.

in: De Morgen, 5 juni 1997.

Otto van de Haar


De Blätter für deutsche und internationale Politik stelden in 1990 de 'Demokratiepreis' in. Die ging toen naar twee burgerrechtenactivisten, Bärbel Bohley en Wolfgang Ullmann. In de jaren daarna werd geen prijs meer verleend. Totdat op 10 maart van dit jaar de eer te beurt viel aan de Amerikaanse politicoloog uit Harvard Daniel Goldhagen voor zijn geestdriftig geschreven boek Hitler's Willing Executioners

De lofrede werd gehouden door Jürgen Habermas. Waarom deze prijs voor Daniel Goldhagen? Omdat hij met zijn 'indringende en van morele kracht getuigende beschrijving een wezenlijke impuls heeft gegeven aan het publieke bewustzijn in de Bondsrepubliek'. Met Hitlers gewillige beulen heeft hij 'de gevoeligheid voor de achtergrond en de grenzen van een Duitse "normaliteit" aangescherpt'. Iemand die deze gebeurtenis met voldoening moet hebben gevolgd is de Straatsburgse historicus Edouard Husson. Hij is als onderzoeker verbonden aan het Centre d'Etudes Germaniques en heeft als specialisatie 'Duitse historici en het nazisme'. Ongeveer gelijktijdig met de Franse vertaling van Hitler's willing executioners in januari 1997 - de Nederlandse en Duitse versies verschenen al in de zomer van 1996 - publiceerde Edouard Husson Une culpabilité ordinaire?, een 200 pagina's tellende studie die in haar geheel is toegesneden op Goldhagen.

Wat Husson in de motivering voor de toekenning van de 'Demokratiepreis' moet hebben aangesproken is dat Goldhagens boek over de judeocide in een actueel maatschappelijk kader werd geplaatst, namelijk dat van de politieke verantwoordelijkheid van het huidige, machtiger geworden Duitsland tegenover de verschrikkelijkste fase uit zijn woelige geschiedenis. Dat laatste is namelijk ook de kern van Hussons verhaal, zij het dan wel toegespitst op de rol van de Duitse historici. De waardering van Husson voor Goldhagens werk wil overigens niet zeggen dat hij er in alle opzichten enthousiast over is. Verre van dat. Hoewel Husson er zich voor hoedt het Duitse antisemitisme te bagatelliseren, maakt hij op consciëntieuze manier duidelijk dat Goldhagen dit begrip te pas en te onpas gebruikt voor zijn verklaring van de holocaust. Een typerend voorbeeld is de Reichskristallnacht in 1938. Een gedeelte van de Duitse bevolking gaf blijk van flinke afkeer van deze (door de nazitop geïnstigeerde) landelijke antisemitische pogrom. Goldhagen negeert deze feiten omdat ze niet passen in zijn centrale stelling dat de Duitse natie 'doordesemd'  was van jodenhaat. Deze en andere bezwaren tegen Goldhagens boek waren overigens in essentie al eerder in Engels-, Duits- en Nederlandstalige recensies en artikelen te vinden, maar tot nog toe vrijwel nergens zo uitgebreid als bij Husson.

 Daniel J. Goldhagen - March 17, 2008 

Daniel Jonah Goldhagen

 

Verrassender en interessanter voor de niet-Franse lezer is de wijze waarop Husson de achtergrond van Goldhagens boek uit de doeken doet. Daartoe staat hij onder meer stil bij de uiterst geladen, maar beheerste dialoog tijdens de Historikerstreit (1986-1988) tussen de invloedrijke Duitse historicus Martin Broszat en diens Amerikaanse tegenvoeter Saul Friedländer. Die dialoog is van grote betekenis geweest omdat er in een notendop veel van de inzet van de controverse over Goldhagens boek in te vinden is. Daarnaast brengt Husson het opstel uit 1946 van de filosoof Karl Jaspers over de problematiek van de collectieve schuld, dat er eveneens reliëf aan geeft, onder de aandacht. Broszat, gestorven in 1989, was voorstander van een structuralistische benadering van de Hitlertijd en de nazi-ideologie speelde in zijn onderzoek een ondergeschikte rol. Hij hield een pleidooi om de Hitlerperiode met dezelfde historische maatstaven te bestuderen als een 'normale' periode uit de geschiedenis. Door steeds maar weer te redeneren vanuit het 'Auschwitz-perspectief' met zijn herinnerings- en slachtoffercultuur, bleven andere aspecten en problemen van het Derde Rijk onderbelicht. Broszat wees in dit verband op het in de jaren 1941-1942 in Duitsland ontwikkelde project om te komen tot een Volksversicherung, dat later in de jaren vijftig in de Bondsrepubliek zijn beslag zou krijgen. Friedländer echter waarschuwde vooral, en Husson valt hem daar in bij, voor de gevaren van een 'normalisering'. Door namelijk de racistische ideologie naar de achtergrond te schuiven, lag het gevaar voor relativering van de holocaust op de loer. Een regime als dat van Hitler, met zijn gaskamers en massa-executies, kon onmogelijk 'normaal' bestudeerd worden. Te meer omdat volgens Friedländer talrijke Duitsers min of meer op de hoogte waren van de nazistische eliminatiepraktijken tegen 'minderwaardige rassen'. Friedländer wees dan ook de door Broszat veronderstelde 'incompatibiliteit' tussen wetenschappelijke geschiedschrijving en de collectieve herinnering (door Broszat als mythe bestempeld) van de hand. Volgens Husson moet Goldhagens boek bovenal gezien worden als een uiting van verontrusting over de 'normaliseringstendens' in de historiografie van de nazi-periode.

Husson geeft een treffende illustratie van de wijze waarop de portee van Hitler's Willing Executioners is gekoppeld aan de Historikerstreit. Toen poneerde de roemruchte filosoof-historicus Ernst Nolte (op wie ook Friedlander zijdelings wees) de stelling 'Geen Goelag, geen Auschwitz'. Hitler was volgens Nolte zo onthutst geraakt van de 'joods-bolsjewistische' verschrikkingen in de Sovjet-Unie dat hij uit voorzorg de Endlösung op gang bracht. Onnodig te zeggen dat de Duitse verantwoordelijkheid voor de holocaust in deze optiek ad absurdum is gerelativeerd. Goldhagens formule 'Geen Duitsers, geen holocaust' is hier, aldus Husson, een vertraagde 'reactie'. gezien Hussons eerdere kritiek op Goldhagen was hier de term 'overreactie' beter op zijn plaats geweest. Aan het ernstige verwijt dat Goldhagen de Duitsers 'collectief verantwoordelijk' heeft gemaakt voor de joodse catastrofe tilt Husson minder zwaar. Goldhagen heeft volgens hem tot op zekere hoogte gelijk. Hij diept hiertoe het boeiende opstel Die Schuldfrage op van de in 1969 overleden Duitse filosoof Karl Jaspers.

In 1946, Duitsland lag nog in puin, hield Jaspers over dit onderwerp een serie colleges in Heidelberg, die toen grote indruk maakte. Het belang daarvan lag volgens Husson in het feit dat Jaspers - in tegenstelling tot Goldhagen - ten aanzien van het veel te algemene begrip 'schuld' vier categorieën aanbracht: criminele, morele, metafysische en politieke schuld. De criminele schuld wordt vereffend door een tribunaal. Met morele schuld doelde Jaspers op het individuele geweten en van metafysische schuld was sprake wanneer iemand als individu tekort schoot in het handhaven van algemene beschavingsnormen. Jaspers concludeerde dat het onlogisch en onzinnig was om een volk als geheel van een misdaad te beschuldigen dan wel moreel of metafysisch aan te lagen: dergelijke vormen van schuld waren immers slechts individueel van toepassing. In Die Schuldfrage maakte hij echter een uitzondering voor politieke en historische schuld. Dit facet van de schuld (verantwoordelijkheid) was wel degelijk collectief omdat ieder mens verantwoordelijkheid draagt voor de wijze waarop hij of zij in een moderne staat wordt geregeerd. Het feit dat Goldhagen deze noodzakelijke differentiatie niet heeft aangebracht schrijft Husson eerder toe aan een misverstand en aan onwetendheid dan aan kwaadwilligheid. Wat Goldhagen met zijn boek in wezen beoogde is volgens Husson dat de Duitsers van vandaag, zeker nu zij na die Wende aan macht en invloed hebben gewonnen, zich als collectief politiek verantwoordelijk zouden blijven ten opzichte van de Duitse daders toen. Vandaar dat Goldhagens verhaal primair handelt over motivatie, keuzemogelijkheid en mentaliteit en mentaliteit van de Duitsers in het Derde Rijk en niet over 'radertjes' en abstracte structuren. het heeft er alle schijn van dat het algemene publiek in Duitsland, gezien de de opmerkelijke verkoopcijfers, Goldhagens signaal heeft opgepikt. Dat is ook precies de reden waarom hij de 'Demokratiepreis' 1997 in de wacht kon slepen.

Het aantrekkelijke van de Fransman Husson is dat hij enerzijds waardering weet op te brengen voor Goldhagens ongerustheid over de 'normalisering' van het Derde Rijk en daaraan gekoppelde relativering van de holocaust, maar dat hij anderzijds niet duldt dat Goldhagen, ter wille daarvan, de historische werkelijkheid nogal eens naar zijn hoogst persoonlijke hand zet. In de woorden van Husson: 'Ook al delen we niet Daniel Goldhagens analyses van een directe bijdrage van alle Duitsers, potentieel, aan de genocide, we denken dat hij het essentiële vraagstuk van de "politieke verantwoordelijkheid" opnieuw introduceert, dat de historici niet kunnen negeren, vooral omdat het de legitimiteit van de Duyitse natie na 1945 betreft'.