dinsdag 12 mei 2020

ALS DE RUSSEN KOMEN

Het bekende VPRO-geschiedenisprogramma OVT (Onvoltooid Verleden Tijd) was in de slotmaanden van vorig jaar voor een gedeelte gewijd aan de documentaire Als de Russen komen - over de Koude Oorlog in Nederland.
In acht wekelijkse uitzendingen op de zondagochtend werden de luistervrienden aan de hand van een reeks vraaggesprekken teruggevoerd naar die paradoxale periode van angstige spanning en stabiliteit. Een tijd waarin het conflict tussen Moskou en Washington zijn onmiddellijke uitwerking had op het nationale politieke en persoonlijke vlak. Naast partijpolitieke figuren van verschillend pluimage waren onder meer een generaal buiten dienst, een diplomaat, iemand van de Nationale Reserve, een wetenschapsman en een burgervader te beluisteren. Het is begrijpelijk dat aan CPN'ers en BVD'ers en hun dramatische onderlinge verhouding ruimschoots aandacht werd besteed. Het gemeenschappelijk kenmerk van de geïnterviewden was, aldus hoofdredacteur Hans Olink, dat zij allen de koude oorlog bewust hebben meegemaakt. De programmamakers zijn wat vaag over het precieze einde van de koude oorlog. Deze zou zelfs nog voortduren. Door de term ook te gebruiken voor de episode ná de recente revolutionaire veranderingen in voorheen het Sovjet blok - het begrip 'desintegratie ' is toepasselijker - worden specifieke eigenschappen van de echte koude oorlog genegeerd. Ik doel niet slechts op de typisch ideologische tegenstelling maar ook op het feit dat naarmate de koude oorlog voortduurde, hij ook stabiliteit impliceerde. Kom daar vandaag eens om.

Meer evenwicht

De achtergrond van deze vaagheid is het gebrek aan confrontatie bij de redactie met betrekking tot het definitieve demasqué van het staatscommunisme. En dat terwijl de onthullingen en niet te vergeten de macabere opgravingen her en der in de Sovjet-Unie, in haar nadagen, bij menige westerling de toch al stoute verwachtingen nog overtrof. Anders geformuleerd: had - gezien de actualiteit- het stalinistisch karakter van de Sovjetstaat niet nadrukkelijker naar voren moeten komen bij de verduidelijking (van het ontstaan) van de koude oorlog? De volstrekt meedogenloze en gewetenloze aard van Stalins bewind, waarmee de Oost-Europese staten kort na de oorlog eveneens kennismaakten, verklaart weliswaar niet direct de koude oorlog, maar is er wel als reële angstfactor onlosmakelijk mee verbonden. Het commentaar dat het geheel van een historisch jasje voorziet, maakte hierdoor soms een wel erg neutrale indruk.
Een voorbeeld. Door de redactie wordt voor de verantwoordelijkheid van de aanzet (1945-1946) van de koude oorlog vooral in westelijke richting gekeken. Niet alleen gezien een aantal vraaggesprekken, ook wordt een deel van de roemruchte speech van Winston Churchill uit maart 1946 ten gehore gebracht die de gewezen oorlogsleider hield in het stadje Fulton, gelegen in de Amerikaanse staat Missouri (en niet zoals de commentaarstem het wil 'in Groot-Brittannië): 'From Stettin in the Baltic to Triest in the Adriatic, an iron curtain has descended across the continent...'
Dit deel van de documentaire had wellicht aan inzicht gewonnen indien ook de fameuze, maar niet minder belangrijke 'oorlogsverklaring' van Stalin uit februari 1946 in herinnering was gebracht. (Een analyse van deze rede wordt ten beste gegeven in het vorig jaar verschenen boek van dr. Ronald Havenaar: Van Koude oorlog naar een nieuwe chaos, 1939-1993). In zijn toespraak op een 'verkiezingsbijeenkomst' gaf Lenins opvolger de toehoorders te verstaan dat zich tussen de twee kampen een nieuwe strijd aankondigde, die onvermijdelijk op een oorlog zou uitlopen. Men kan tegenwerpen dat Stalin niet serieus meende wat hij zei en met zijn uitspraken vooral propagandistische doelen najoeg. Maar in dart geval moet de mogelijkheid open gehouden worden dat de donderspeech van Churchill eveneens met een korrel zout wordt genomen. Havenaar brengt vervolgens Churchills opmerking in stelling dat het Kremlin de vriendschap van het Westen minstens zozeer vreesde als de vijandschap. Open contacten met westerse maatschappijtypen zou Stalins totalitaire macht snel ondergraven hebben.
Genoemde publicatie is de redactie van het radioprogramma niet ontgaan en voorafgaand aan de documentaire prijkte in de VPRO-gids een interview van Hans Olink met Ronald Havenaar. Helaas is er van de inhoud van dit gesprek over het boek niets terug te vinden in de serie. Waarom niet?
Olink desgevraagd: 'Het boek is niet gebruikt voor de serie omdat het niet handelde over de koude oorlog in Nederland. Het ging me bij dit interview vooral om de attentiewaarde'. Het zou zinvoller geweest zijn als er een duidelijke keus was geweest. Of we verbinden Havenaars boek met de serie, of we laten het boek en het interview vallen. Zoals het nu is gebeurd, dekt de vlag de lading niet. De attentie is weliswaar gewekt maar de verwarring ook.

Gebrek aan confrontatie

Olink heeft gelijk als hij stelt dat Havenaars boek niet specifiek over de koude oorlog in Nederland gaat. Maar aangezien ons land invloed onderging van het bipolaire conflict, is dit bezwaar maar gedeeltelijk op zijn plaats.
Van koude oorlog naar nieuwe chaos, 1939-1993 bevat overigens meer passages waarmee de serie haar voordeel had kunnen doen. Te denken valt aan de Korea oorlog en de verreikende gevolgen hiervan voor de Duitse herbewapening die ook in de serie ter sprake kwamen. Beide fenomenen blijven nu op zichzelf staan. Zoals de titel aangeeft, laat Havenaar de koude oorlog beginnen in 1939 met het Hitler-Stalin Pact. Toen begon volgens hem Stalins expansiepolitiek naar een deel van Oost-Europa. Na het intermezzo van de Tweede Wereldoorlog nam hij dezelfde draad weer op en schoof nog verder in westelijke richting. Deze stelling klinkt doordacht en logisch. Tenslotte viel de afloop van de koude oorlog niet per toeval samen met de ineenstorting van de Oosteuropese staten. Toen Moskou deze regimes militair niet langer ruggensteunde, was het einde daar. Het probleem met deze these is wel dat Hitlers ontketening van zijn extreem bloedige expansieoorlog tegen de Sovjet-Unie tot een detail wordt gereduceerd.
Havenaar heeft een sterke troef in handen door te wijzen op het stalinistische karakter van de Sovjetstaat bij het ontstaan (en het verloop) van de koude oorlog. De Duitse invasiemacht heeft echter ook 'karaktervormend' gewerkt op de Sovjet-Unie en heeft de naoorlogse politiek mede bepaald. Stalin heeft de Führer immers niet verzocht hem eerst aan te vallen zodat hij Hitler kon verslaan om zodoende zijn expansiezucht in Midden-Europa te kunnen stillen. Meer evenwicht tussen beide factoren had de overigens fraai geschreven studie overtuigender gemaakt.
De kritiek op de VPRO-documentaire laat onverlet dat deze veel positiefs te bieden heeft. De vraaggesprekken vertonen een behoorlijke variatie. Datzelfde geldt voor de boeiende archieffragmenten, zoals de stemgeluiden van Jacques de Kadt en Paul de Groot. Eén groep komt er bekaaid af: die van de gewone, niet-partijgebonden burger. De voornaamste kracht van de serie is een grote concreetheid en levendigheid. De documentaire als geheel biedt ook een stimulans om je te verdiepen in de (herinnerings)literatuur over de joude oorlog.
Kernbezwaar blijft het gebrek aan actuele confrontatie met het einde van het communistische staten. Die confrontatie had een impuls kunnen betekenen om door middel van het commentaar de 'deelnemers' aan de de koude oorlog in Nederland van meer perspectief te voorzien dan nu het geval was. respect voor de (gesproken) bronnen, welke dan ook, is uiteraard evident. Maar het is de journalist/historicus die ze niet alleen selecteert maar ze ook laat spreken binnen een breder kader. Het zelf ten tonele gevoerde boek van Ronald Havenaar had hierbij in bepaalde opzichten bruikbaar kunnen zijn. Zoals het nu is gedaan, had deze serie ook tien jaar eerder gemaakt kunnen zijn.



Otto van de Haar

VPRO-documentaire in acht leveringen: Als de Russen komen.
R. Havenaar, Van Koude Oorlog naar nieuwe chaos, 1939-1993.

In: Spiegel Historiael, mei 1994, p. 175-176.

maandag 27 april 2020


LIBERALISME MET LETSEL

Nieuwe essays van Duitse politicoloog Karl Dietrich Bracher



 


In de omvangrijke artikelenbundel Wendezeiten der Geschichte. Historisch-politische essays van de internationaal bekende liberale politicoloog Karl Dietrich Bracher (1922) passeren veel begrippen de revue zoals macht en geweld, ondergang en vooruitgang maar één springt eruit en laat alle andere achter zich: het totalitarisme.
Het heeft dan ook weinig zin je door de (door Bracher? door de uitgever?) uitgedachte thematische driedeling - Historische crises en ervaringen, Erfenis van het nationaalsocialisme, Democratie in verandering - te laten leiden. Steeds weer blijkt het totalitarisme het 'overkoepelend orgaan'. In navolging van de fameuze Franse denker Raymond Aron gelooft Bracher niet in het einde, maar de onsterfelijkheid van (totalitaire) ideologieën.
Zijn onderwerpskeuze moet niet alleen gezien worden tegen de achtergrond van het nazisme dat diepe sporen heeft nagelaten in zijn geboorteland. Brachers preoccupatie houdt vooral ook verband met die andere variant van het totalitarisme, het communisme, die na 1945 bleef voortbestaan tot 1991. De intensiteit waarmee het totalitarisme behandeld wordt, heeft ongetwijfeld te maken met het feit dat hij dit fenomeen als tijdgenoot heeft meegemaakt. Beide varianten van het totalitarisme hebben hem gebracht tot een bewust gekozen en beleden liberaal engagement. Helaas gaat dit systematisch uitgedragen liberalisme ten gevolge van een wetenschappelijke evenwichtsstoornis met blijvend letsel door het leven. Een illustratie van waar hij zijn evenwicht verliest is zijn onderzoek naar de oorsprong van de twee totalitarismen.

Oorsprong totalitarismen

Wat blijkt namelijk? Dat hij een verschillende aanpak heeft gekozen om respectievelijk de nazistische en communistische variant uit de doeken te doen. In het eerste gevl maakt de auteur gebruik van een multicausale verklaring, in het tweede geval echter is er geen enkele plaats voor omstandigheden en voorwaarden.
Factoren die de uiteindelijke overwinning van het nationaalsocialisme mogelijk hebben gemaakt waren volgens hem de volgende: op de allereerste plaats de opgang van extreem-links (de KPD) en extreem-rechts (de NSDAP) en de geringe geneigdheid tot compromis gedurende de eerste Duitse democratie. Verder de schok bij de bevolking door de onverwachte nederlaag van 1918, de dualiteit tussen presidentiële en parlementaire macht, ernstige sociaaleconomische problemen, de specifieke rol van het Duitse leger en een voor-democratische mentaliteit in het staatsapparaat en bij justitie.
Bovendien was de nationale staatsvorming (vanaf 1870-1871) historisch moeilijk en politiek complex geweest. De antiwesterse wending waarbij de Weimar-republiek van 1918 als onduitse import werd afgedaan, en het nationalistisch revisionisme hadden geleid tot het isolement en de zelfvernietiging van de Weimar-democratie en het Duitse Rijk.
Kortom, een hele waaier van verklaringen en Bracher legt ook uit waarom: 'Bij een kritische beoordeling blijkt dat een simpele verklaring niet mogelijk is. Alle redeneringen en afleidingen die zijn gebaseerd op één enkele hoofdoorzaak of een causale formule zijn misleidend'.

Bij zijn uiteenzettingen over het communistisch totalitarisme vinden we een dergelijke aanpak niet terug. Was het dan zo'n krachttoer om, mutatis mutandis, ook voor Rusland aan de vooravond van de machtsovername in november 1917 verklaren de omstandigheden op te sommen? Hier gold toch ook een voor-democratische mentaliteit in het staatsapparaat? Rusland kampte eveneens met sociaaleconomische problemen en de bevolking was net zo goed op drift geraakt door het radicaliserende geweld van de eerste wereldkrijg. Verder lijkt het niet al te riskant om te beweren dat de Russische 19de eeuw eveneens 'historisch moeilijk en politiek complex' was. Om de parallel voort te zetten kan ook nog gedacht worden aan het dualisme tussen doema's/sovjets en Grondwetgevende Vergadering. En als laatste moet de door Bracher als meest fataal beschouwde factor op de weg naar het totalitarisme (van toen en thans) genoemd worden: de tegenstelling tussen de compromisloze extremisten van politiek links en rechts. De bolsjewistische partij opereerde immers net zo min als de NSDAP in het politiek luchtledige. Ook de partij van Lenin en Trotski werd geconfronteerd met compromisloze tegenstanders.
De enige factor die Bracher wel naar voren haalt als verklaring voor het Russische (en niet te vergeten Oost-Europese) is de onjuiste communistische theorie, die inderdaad kan bogen op een lange autoritaire geschiedenis. Dat deze alleen verantwoordelijk zou zijn geweest, lijkt mij echter onwaarschijnlijk.

Dit verschil in visie op de varianten van het totalitarisme - moderne uitingen ervan als nationalisme en fundamentalisme noemt Bracher slechts in het voorbijgaan - komt wellicht doordat het communisme veel langer voortduurde dan zijn Duitse tegenvoeter en dat het zijn bedreigende schaduw tientallen jaren over West-Europa en vooral West-Duitsland wierp. Maar had dit geëngageerde wetenschapper Bracher behoeven te verhinderen om, naast een politiek-morele veroordeling ook de historische omstandigheden ten tonele te voeren, zoals dit met betrekking tot het nazisme werd ondernomen?
Iemand als de Nederlandse denker Jacques de Kadt bijvoorbeeld liet in Het fascisme en de nieuwe vrijheid uit 1939 zien dat een politieke verwerping en zakelijk onderzoek met betrekking tot het nationaalsocialisme tot de mogelijkheden behoorde. Dit terwijl deze beweging nog volop in opmars was. Met andere woorden, het bestaan van een totalitair systeem hoeft nuchter onderzoek ernaar niet per se in de weg te staan. In plaats hiervan beperkt Bracher zich tot een (door hem zelf verfoeide) monocausale uitleg. Brachers morele en emotionele verwerping heeft, in het geval van het communistisch totalitarisme dus helaas de overhand gekregen op een zo nuchter mogelijk onderzoek.

Blijvend letsel

 

Laten we nu eens kijken naar diens presentatie van het Europees-Amerikaanse liberalisme. Hier zien we een ethisch geladen goedkeuring van het liberale systeem dat voor duizelingen zorgt en 'blijvend letsel' veroorzaakt zoals in het geval van Vietnam.
Volgens de auteur onderscheidt de democratie en het Europees-Amerikaanse model zich door het in wezen 'anti-ideologische inzicht' dat het doel de middelen niet heiligt. Kenmerkend zijn verder de bereidwilligheid tot compromis en de erkenning van de 'onvolkomenheid der mensen'.
Slechts bij hoge uitzondering wordt het eigen systeem door Bracher onder de loep genomen. Dit gebeurt aan de hand van de 19de eeuwse graaf Alexis de Tocqueville die in zijn boek over Amerika (1835-1840) de vinger legde op de ambivalente betekenis van de publieke opinie. Deze impliceerde namelijk niet alleen vrijheid maar ook het gevaar van conformisme en manipulatie. Maar Bracher laat er direct op volgen dat dit veel meer van toepassing is op de 'gesloten politieke systemen.'

Bracher staat zijn lezers niet tot het liberale systeem historisch te toetsen, laat staan te kritiseren. Staatsburgers moeten zich van hem midden in de realiteit ophouden en zich volledig identificeren met de parlementaire democratie. Kritiek op de fundamenten van het liberalisme leidt alleen naar tot vervreemding en ongeloof in de politieke mogelijkheden van de rechtsstaat.
Uiteindelijk gevolg volgens Bracher? Ontgoocheling en de vlucht in levensgevaarlijke  extreme 'totale oplossingen'. Aan het begrip Bürger is in deze bundel geen gebrek, maar over initiatieven vernemen we heel wat minder. Het verrast niet dat iemand die een dergelijke 'ijzeren democratie' presenteert, op het terrein van de buitenlandse politiek evenmin ruimte  voor kritiek biedt. Tekenend is de wijze waarop Bracher met de kwestie Vietnam omspringt.
Hij wil hier ook vandaag de dag niet mee geconfronteerd worden. Het tonen van eertijdse televisiebeelden vindt gelijkstaan met zelfkwelling. terwijl de totalitaire stelsels in de verschillende essays consequent ' op hun daden' worden getest en veroordeeld blijft een dergelijke benadering uit het door het Westen bewandelde pad in Vietnam. Ook de eerder genoemde Raymond Aron, een enigszins met Bracher vergelijkbare anti-totalitarist, beefde niet bij de napalmbombardementen op Vietnam. De enige reactie die de Franse socioloog in zijn herinneringen naar voren bracht was een verwijzing van een uitspraak van Hegel: ik ben geen 'schöne Seele'(1).

Zoals vermeld noteerde Bracher over de democratie dat het hierbij gaat om het 'anti-ideologische inzicht' dat het doel de middelen niet heiligt. Een tegenspraak tussen deze stelling  en praktijk van Vietnam ontwaart hij helaas niet. De door hem opgeworpen erkenning van de 'onvolkomenheden van de mensen', als karakteristiek voor de democratie, wordt niet ter verdediging aangevoerd. En waar is 'de bereidheid tot compromis' gebleven?
Het is aandoenlijk dat iemand die zich in het allereerste opstel 'De ervaring van Weimar'  op hartverwarmende wijze verzet tegen een 'Ont-moralisering van de geschiedenis', dit bangelijk nalaat als het een misdaad uit de Atlantische wereld betreft.
Als gevolg van Brachers wetenschappelijke evenwichtsverlies - waarbij een nuchtere kijk het onderspit tegen emotionele systeemidentificatie - gaat diens liberalisme met blijvend letsel door het leven. 

(1) Ik verlaat mij op een artikel van de Leidse historicus H.L.Wesseling: 'Een intellectueel en de politiek: Raymond Aron, 1905-1983' in: Vele ideeën over Frankrijk. Opstellen over geschiedenis en cultuur (1988), p. 151.

N.a.v. Karl Dietrich Bracher, Wendezeiten der Geschichte. Historisch-politische Essay, 1987-1992 (1992).

In: Markant, 23 december 1993.

Otto van de Haar


Reactie van dr. N.K.C.A. in 't Veld:

 





woensdag 15 april 2020


DE  KAISER  IN  HOLLAND


Toen in het najaar van 1918 de militaire nederlaag van het Duitse Rijk een feit was, vluchtte Kaiser Wilhelm II naar het neutraal gebleven Nederland. Eerst verbleef hij korte tijd in Amerongen, daarna tot zijn dood op 4 juni 1941in Slot Doorn.
Het overheersende beeld van de ex-keizer is dat van oude, gefortuneerde rentenier die zijn dagen voornamelijk sleet met het kappen van bomen en andere onschadelijke liefhebberijen; de Nederlandse regering had hem trouwens verzocht zich van politiek te onthouden. De Duitse historicus Gutsche heeft dit beeld in zijn biografie Ein Kaiser im Exil nu grondig bijgesteld. Hij doet dat door te beklemtonen dat de bijlslagen van Wilhelm vooral gericht waren op de Weimarrepubliek, die in 1933 ter ziele ging. In eerdere studies is ook wel vluchtig ingegaan op de revanche-gedachten van Wilhelm en zijn pogingen tot contact met Hitlers NSDAP, maar volgens Gutsche is dat veel te oppervlakkig gebeurd; de ballingschap van de keizer is te zeer als een aanhangsel van zijn regeerperiode (1888-1918) beschreven.
De auteur, die gebruik heeft gemaakt van nooit ten volle benutte archieven, laat duidelijk zien waarop de restauratiestrategie van de ontstuimige ex-keizer en het Huis van Hohenzollern berustte. Allereerst was dat de stelling van Wilhelms onschuld aan de oorlog van 1914-1918: 'Noch ik zelf noch Duitsland dragen enige verantwoording voor het uitbreken van de wereldoorlog', schreef hij. Hieruit vloeide zijn aversie tegen de drukkende vredesvoorwaarden voort. Een ander drijfveer was zijn misplaatste veronderstelling dat het de socialisten en joden aan het thuisfront waren geweest die de catastrofe van 1918 hadden veroorzaakt, en de kwaadheid over zijn onttroning was des te groter aangezien hij monarch was geweest bij de gratie van 'de Allerhoogste'. Ten slotte werd Wilhelms agressieve afkeer van de republiek gevoed door zijn credo dat het Parlementarismus een onduits en ongermaans verschijnsel was. Kortom, met de Weimarrepubliek (de zwijnenrepubliek, aldus Wilhelm) was geen enkel compromis mogelijk.
Uitvoerig beschrijft Gutsche hoe enkele van Wilhelms afgezanten, onder wie Hermine von Reuss, meermaals van Doorn naar Duitsland reisden om door contacten met conservatieve sleutelfiguren de vorming van een rechts-nationaal en antirepublikeins front te stimuleren. De republiek moest op de knieën worden gedwongen opdat, via de weg van een dictatuur, de monarchie kon terugkeren.
Ter begeleiding van die missies voerde de voormalige keizer correspondentie met geestverwanten en stelde hij geld ter beschikking. Toen mede door de economische crisis van 1929 ter rechterzijde van het politieke krachtenveld de nazi's gingen domineren, schrok de fanatieke balling er niet voor terug tijdelijk met hen samen te werken. Andere leden van het Huis van Hohenzollern waren in de Heimat rechtstreeks bij deze politiek betrokken als actieve leden van de NSDAP. Wilhelms project mislukte overigens jammerlijk, omdat Hitler niemand naast zich duldde. Hij liet de monarchisten in de waan van een mogelijk machtsherstel en gebruikte hen totdat hij zijn positie had veilig gesteld.
Gutsche stelt dat zijn hoofdpersoon, die in Duitsland over een niet geringe populariteit beschikte, door zijn handelwijze het nationaal-socialisme bij conservatieve lagen van de bevolking salonfähig heeft gemaakt. Dat ook ter linkerzijde krachten bestonden die de Weimarrepubliek vijandig gezind waren en Hitler onderschat hebben, wordt helaas niet door hem aangestipt.
Meer geslaagd is wat hij over de nuanceverschillen tussen de oude monarch en de nieuwe dictator schrijft. Zo was de eerste, althans in privégesprekken, furieus over de Reichskristallnacht in 1938. De oude officieren en alle fatsoenlijke Duitsers zouden moeten protesteren. opperde hij. Dat de monarchisten moeilijk over één kam geschoren kunnen worden, blijkt ook uit het feit dat in de loop van 1934 de ene monarchistische vereniging na de andere gedwongen werd ontbonden. Verder bleef de ex-keizer hameren op zijn door God gegeven gezag.
Van een werkelijke kniebuiging voor Hitler was dus geen sprake. Maar van een ondubbelzinnig afstand nog minder. Daarvoor waren de overeenkomsten tussen het wereldbeeld van Wilhelm II en dat van Hitler naar het inzicht van Gutsche te structureel van aard: racisme, anti-bosjewisme, haat jegens de democratische Weimarrepubliek en de vrede van Versailles, en een expansief nationalisme. Toen in Hitler in 1940 West-Europa annexeerde - enkele Hohenzollern dienden in het Duitse leger - beschouwde de onttroonde keizer dat als een voortzetting van zijn in 1918 afgebroken beleid.
Terecht noteert Gutsche dat het oordeel over de politieke rol van Wilhelm aan de lezer blijft voorbehouden. Maar dat het simpele beeld van de keizerlijke houthakker niet langer kan standhouden, staat na dit rijk gedocumenteerde boek wel vast. Dat de schrijver tevens gedetailleerde aandacht heeft geschonken aan het dagelijks leven van de balling en zijn hofhouding maakt de biografie tot een afgerond geheel. 

Otto van de Haar

N.a.v. Willibald Gutsche, Ein Kaiser im Exil. Der letzte deutsche Kaiser Wilhelm II. in Holland (1991).

in: Elsevier, 15 februari 1992.










De misplaatste familiesolidariteit van Hans Goedkoop.


Titel paginaHans Goedkoop, De laatste man
In oktober 2012 jubelde Frans Smits, hoofdredacteur van het Historisch Nieuwsblad: 'Meer van dit soort pareltjes graag, meneer Goedkoop'. Het betrof het boek De laatste man - een herinnering. Laten we dit 'pareltje' eens bekijken.

Met 'de laatste man' doelt Goedkoop, historicus en presentator van Andere Tijden, op zijn opa van moederszijde: Hein van Langen (1900-1992). Die was destijds chef van de generale staf van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger, het KNIL dat in 1950 ophield te bestaan. En de 'herinnering' heeft betrekking op de gesprekken die Goedkoop voerde over die tijd - als kind met zijn opa, zijn tante en vooral zijn geliefde moeder. Zij overleed in 2008. Verder deed Goedkoop (archief)onderzoek.

Degradatie

Nadat de Onafhankelijkheidsoorlog in 1949 was geëindigd met een overwinning voor Indonesië, ging Nederland noodgedwongen over tot de machtsoverdracht. Beide landen kwamen hierbij overeen dat de ontbinding van het KNIL in de zomer van 1950 een feit zou moeten zijn. Zo geschiedde. Voor chef-staf Van Langen zat er toen niets anders op dan, in de melodramatische woordkeus van Goedkoop, 'de onttakeling van zijn wereld' te aanvaarden en terug te keren naar Nederland. Elders laat hij zijn klagende opa ook nog zeggen: '(...) zie hoe ons bestaan tussen de raderen van de geschiedenis verdwijnt.'
Aangekomen in Nederland kreeg Van Langen een baantje als adviseur voor brandweerkorpsen toegewezen. Zwaar verbolgen was hij daarover. In Indië was de chef-staf gewend geweest, schrijft Goedkoop, om 'knopen door te hakken', maar daar was in zijn nieuwe administratieve functie geen sprake meer van.
In het voetspoor van zijn gefrustreerde opa, moeder en tante is ook Hans Goedkoop diep verontwaardigd over deze als schandelijk opgevatte degradatie. Vandaar dit boekje: de geschiedenis van 'KNIL-opa Van Langen' weer tot leven wekken in een poging hem (postuum) eerherstel te verschaffen. Op wat hoogdravende toon richt hij zich tot zijn lezers: 'Ik wil Van Langen in het licht zien en ik wil dat u het ziet. Stel het u voor, denk het u in. Hoe het voor hem is geweest.' Over 'hoe het is geweest' voor de gewone Indonesiërs tijdens deze koloniale oorlog, zwijgt Goedkoop. Het aantal doden aan Indonesische zijde lag tussen 100.000 en 150.000 tegenover een paar duizend Hollanders.
Het tien jaar geleden verschenen Le livre noir du colonialisme - dat hier te lande op kousenvoetjes werd gerecenseerd - formuleerde het zo: 'In Nederland heeft de dood van een Nederlander (...) altijd veel meer geteld dan die van een Indonesiër.'
Over 'hoe het is geweest' voor al die Nederlandse mannen die het vertikten om aan die koloniale oorlogsvoering deel te nemen, lezen we niets. Zij werden vervolgd en gevangen gezet. Mag een serieuze historicus de geschiedenis op zo'n wijze uit zijn verband trekken?

Westerling

Terug naar de degradatie van Van Langen. Volgens Goedkoop was hier maar één enkele oorzaak voor: Van Langen had zijn superieuren in Den Haag destijds het bedekte, maar niet mis te verstane, verwijt gemaakt dat zij met hun beleid in 'Indië' hun verantwoordelijkheid niet namen. KNIL-veteranen en andere pro-Nederlandse Indonesiërs kwamen hierdoor 'in de verdrukking (...). Mensen als hijzelf [Van Langen], die met hun hele hebben en houwen vastzaten aan het koloniale leven en er nu het doodvonnis van moesten ondertekenen'. Goedkoop is trots op zijn opa, omdat hij met deze stellingname 'moed' had betoond. "Opa was verdomde dapper", aldus Goedkoop in een interview in NRC Handelsblad van 20 augustus 2012.
Natuurlijk lag dit verwijt in Den Haag niet lekker, maar was dit wel de enige reden voor zijn degradatie? Goedkoop vindt van wel, maar in de beschrijving van het KNIL-leven van zijn opa duiken gebeurtenissen op die vast en zeker ook hebben bijgedragen aan zijn bejammerde statusverlies.
Ten eerste was Van Langen direct betrokken bij de affaire-Westerling. Raymond Westerling was commandant van een militaire eenheid die tijdens het gewapend Nederlands-Indonesisch treffen op zodanig wijze opereerde dat het Den Haag al te gortig werd ('exces'). Hij kreeg zijn congé in de hoop dat hij zich nu rustig zou houden. Het liep anders. Toen namelijk de Nederlandse regering na de capitulatie in 1949 de macht uit handen had moeten geven, ging Westerling (en veel pro-Nederlandse Indonesiërs) daarmee niet akkoord. Vervolgens probeerde hij en zijn getrouwen, begin 1950, door middel van een coup president Ahmed Soekarno uit de weg te ruimen. Ook Van Langen zat op die lijn. Tegenover kleinzoon Hans verklaarde hij in Nederland in een terugblik: 'Eigenlijk is er maar één ding in mijn leven waar ik spijt van heb (...) Dat mijn revolver niet per ongeluk is afgegaan toen wij Soekarno hadden.'(Soekarno en vicepresident Mohammed Hatta waren in 1948 door Nederlandse troepen onder arrest geplaatst).

Collega

De coup van Westerling mislukte, maar hij slaagde er wel in de Indonesische archipel te ontvluchten om strafvervolging te voorkomen. Hoe? Goedkoop vertelt dat dit kon gebeuren dankzij de persoonlijk hulp van ... zijn teerbeminde opa, chef-staf Van Langen die met deze Hollandse held op laarzen sympathiseerde. Goedkoop over Westerling: 'Zo'n man wist wat oorlog was, die ging niets uit de weg, dat voelde een collega als Van Langen vast en zeker mee.'
Zat Van Langen hier wellicht (een beetje) fout? Volgens Goedkoop niet in het minst. Hij wijst er op dat vanuit Den Haag met betrekking tot de nasleep van Westerlings aanval op de Republiek tegenstrijdige regeringsopdrachten kwamen overwaaien, wat duidde op interne meningsverschillen. De ene opdracht (van Max Hirschfeld, Hoge Commissaris Overzeese Gebiedsdelen) riep op tot arrestatie van Westerling, de andere (van minister-president Willem Drees) luidde daarentegen hem de archipel uit te krijgen. Van Langen koos zonder aarzeling voor de laatste. Den Haag had dus wel wat boter op het hoofd. Hem kon, aldus een triomfantelijke Goedkoop, niets verweten worden.

Crimineel gezelschap

Goedkoop vertelt nog iets. Kort na de mislukte coup van Westerling (januari 1950) concipieerde generaal Van Langen zijn "Nota inzake de defensie-politiek van het Koninkrijk der Nederlanden" (25 maart 1950). Hierin gaf hij te kennen dat het KNIL samen met de anti-Soekarnokrachten in het land een guerrilla zou moeten ontketenen tegen de nieuwe Indonesische regering, ter wille van 'de Nederlandse belangen'. Het is net alsof Van Langen Westerlings machtsgreep nog eens wilde overdoen, maar ditmaal 'legaal', met steun vanuit Den Haag. Goedkoop noemt de inhoud van deze Nota van zijn KNIL-opa 'brisant' - meer niet. Hij laat na hier een conclusie aan te verbinden. Dat zo'n figuur moeilijk geschikt kon worden geacht om na repatriëring een representatieve overheidsfunctie te bekleden, schijnt de auteur te ontgaan.
Uit misplaatste familiesolidariteit weigert Goedkoop anno 2013 in te zien dat dit koloniale avontuur op touw werd gezet door een regering die eigenlijk voor een (internationale) rechtbank gebracht had moeten worden om er gehoord te worden, zoals journalist Henk Hofland al eens verlangde. Een mogelijke rechterlijke uitspraak zou dan zijn dat we te maken hebben gehad met een crimineel gezelschap: Beel, Drees, Schermerhorn, Romme ... Getuigde het, zoals Hans Goedkoop meent, van 'moed' dat Van Langen bij dít Haagse gezelschap zijn 'recht' wilde halen?
In een vraaggesprek met de Volkskrant van 8 september 2012 vertelde Goedkoop dat hij zijn eerste versie van 170 pagina's van de biografie van Renate Rubinstein had weggegooid, omdat hij deze 'onecht en pompeus' vond. Ik ben bang dat dit boekje eveneens onder deze noemer gebracht moet worden.

Otto van de Haar

N.a.v. Hans Goedkoop, De laatste man - een herinnering (2012).

Literatuur
  • Thomas Beaufils, 'Le colonialisme aux Indes néerlandaises', in: Marc Ferro, Le livre noir du colonialisme. XVIe - XXIe siècle: de l’extermination à la repentance (Parijs, 2003), pp. 235-265, hier p. 262
  • 'Indië in de jaren zestig, een nabeschouwing' [1995] in: H.J.A. Hofland, Tegels lichten. Ware verhalen over de autoriteiten in het land van de voldongen feiten (Amsterdam, 1996), pp. 207-215.
  • Otto van de Haar, 'Indonesische doden tellen niet' (bespreking van het televisieprogramma Andere Tijden) in VPRO-gids, 16 augustus 2005.

dinsdag 14 april 2020



Ludendorff als de eerste Nazi


 



Het oeuvre van de Soesterbergse historicus dr. Perry Pierik bestaat voornamelijk uit boeken over beide wereldoorlogen, waarbij de rol van Duitsland centraal staat. Onlangs voltooide hij een ruim 500 bladzijden tellende biografie van de roemruchte generaal Erich Ludendorff (1865-1937), die zich tijdens het eerste grote wereldconflict van 1914 - 1918 ontpopte als de machtigste man van Duitsland. Zeventien jaar is er aan deze biografie geschreven, gesleuteld en geschaafd. Maar wel met zeer forse onderbrekingen want naast auteur is Pierik eigenaar van uitgeverij Aspekt, waar de Ludendorff biografie dan ook is ondergebracht.

Jonge jaren

Erich Ludendorff werd geboren in Kruszewnia in het protestantse Pruisen (Polen), destijds de grootste en machtigste deelstaat van het aristocratische Duitse Keizerrijk. Tijdens zijn studie bleek hij goed in wiskunde en in zijn vrije uurtjes toonde hij zich een enthousiast en verdienstelijk danser. Maar hij koos in lijn met de Pruisische traditie voor 'das Militär'. Beeldend beschrijft Pierik hoe de werkkamer van Ludendorffs vader er eind 19de eeuw uitzag: borstbeelden van Pruisische vorsten met in het midden uiteraard Frederik de Grote, een doosje met granaatscherven uit de oorlog van 1870-1871 en een drietal sabels die zijn vader had gedragen tijdens verschillende veldslagen.
Erich Ludendorff bezocht de Kriegsakademie, werd nog voor zijn dertigste in 1894 opgenomen in de Generale Staf en stapelde promotie op promotie. Tussen 1904 en 1913 was hij leider van de afdeling Mobilisatie en kwam hij in contact met strateeg-generaal Alfred von Schlieffen die hem diepgaand beïnvloedde. Hoewel zijn liefde vooral het slagveld gold, trad Ludendorff in 1909 in het huwelijk met Margarethe Schmidt, die uit een eerder huwelijk een dochter en drie zonen meebracht.
Pierik zet Ludendorff overtuigend neer als een doortastende persoonlijkheid, begiftigd met tactisch vernuft en een tomeloze energie (hij sliep een paar uur per etmaal) maar hij was ook super autoritair, meedogenloos en mordicus tegen ieder compromis. Een enkele keer lieten zijn zenuwen hem op het slagveld in de steek maar dan was daar altijd 'de onbuigzame eik', de veel oudere maarschalk Paul von Hindenburg die hem steun gaf. Het boek is rijk aan boeiende informatie over de ups en downs in het politieke, persoonlijke en militaire leven van Ludendorff. Wel zijn enkele kritische noten gepast.

Implicaties bewonderde Schlieffen plan duister

Op de eerste plaats blijven de implicaties van het militaire masterplan van zijn bewonderde leermeester Alfred von Schlieffen duister. Dit zogenoemde Schlieffen plan zag er als volgt uit:
Het Duitse rijk heeft erg moeilijk verdedigbare grenzen. Het wordt van alle kanten militair bedreigd, met name door Frankrijk en Rusland die een verbond van wederzijdse bijstand hadden gesloten. Duitsland is te zwak om een strijd op twee fronten te voeren. Dat impliceert dat Duitsland bij een dreigende oorlog met een snelle preventieve aanval eerst Frankrijk op de knieën moet dwingen om daarna met de vrijgekomen troepen naar het oosten op te rukken om daar af te rekenen met het zich traag mobiliserende Rusland. De Duitse opmars dient per se via België te lopen want alleen de Franse noordgrens is zwak verdedigd. Tot zover het Schlieffen plan.

Waar Pierik aan voorbijgaat is dat deze marsroute dwars door België een minachting betekende van het internationaal volkenrecht en een schending van de Belgische neutraliteit - een neutraliteit die door Engeland en notabene ook door het Duitse Keizerrijk gegarandeerd was. In de oorspronkelijke opzet van het Schlieffen plan zou Nederland trouwens ook door Duitse troepen worden doorkruist, maar dit ging om praktische redenen uiteindelijk niet door. Hier had Pierik als Nederlands historicus ook wel iets over mogen vertellen.
Het argument van de "moeilijk verdedigbare grenzen" (Von Schlieffen) wordt door de auteur klakkeloos overgenomen ter verklaring van Ludendorffs preventieve aanval maar negeert het feit dat niet de geografische ligging van een land doorslaggevend is voor het behoud van de status quo, maar de manier waarop de politieke leiding hiermee om weet te gaan. Tenslotte verschilde de buitenlandse politiek van de Republiek van Weimar (1918-1933) zeer aanzienlijk van die van het agressieve Duitse Keizerrijk onder Wilhelm II (1890 - 1918). Om over het Derde Rijk (1933 - 1945) maar te zwijgen.
En tot slot. Toen België zich in 1914 geconfronteerd zag met de binnendringende Duitse troepen bood het land enige tijd verzet. Na de verovering door Ludendorff van de centrale vesting Luik volgde de officiële capitulatie. De acties van Belgische partizanen gingen evenwel door. Daarop richtte Ludendorff als 'represaille' een tot dusver - althans in het moderne Europa- ongekende slachtpartij aan onder de Belgische burgerbevolking. Ook dit laat Pierik  onbesproken. Deze biografie maakt duidelijk dat Ludendorff, in de woordkeus van Pierik, een "humuslaag" legde voor Hitler en het nationaalsocialisme. Had deze "humuslaag" er niet aan toegevoegd kunnen worden?
Het Schlieffen plan liep uit op een fiasco. De Duitse troepen liepen zich vast in een slopende stellingenoorlog met de westelijke geallieerden. Bovendien kwam Rusland veel eerder dan verwacht haar bondgenootschappelijke verplichtingen tegenover Frankrijk na en zette de aanval in op het oostelijk deel van het Duitse rijk. Ook al wisten Ludendorff en zijn achttien jaar oudere compagnon Hindenburg met tactisch vernuft deze aanval op spectaculaire wijze af te slaan en om te zetten in een overwinning, toch was het Duitse leger nu alsnog in een tweefrontenoorlog beland die het koste wat kost had willen vermijden. Dat het Duitse rijk het toch vier jaar wist vol te houden geeft aan over welke militaire kwaliteiten Ludendorff en zijn troepen beschikten.

Ludendorff en Lenin, ondanks elkaars doodsvijanden, bondgenoten in de Eerste Wereldoorlog

In 1916 werd Ludendorff hoofd van het gehele Duitse leger en daarmee de machtigste man van Duitsland. Voorzichtige voorstellen vanuit het tamelijk krachteloze parlement om toe te werken naar een compromis-vrede met de Entente (Frankrijk, Engeland, Rusland) verwierp hij resoluut; alleen een 'overwinningsvrede' (Siegfrieden) was acceptabel. Alles of niets - dat was Ludendorff ten voeten uit, schrijft Pierik. In de loop van 1917 begon de situatie voor het Duitse rijk nijpend te worden. Niet slechts omdat wapenbroeders Oostenrijk-Hongarije, Bulgarije en Turkije matig presteerden aan de verschillende fronten. Ernstiger was dat een enorme troepenmacht uit de - door Ludendorff zwaar onderschatte - Verenigde Staten op stapel stond en binnen niet al te lange tijd de Europese kust zou bereiken om Groot-Brittannië en Frankrijk militaire steun te bieden. Als het Duitse rijk niet snel alsnog met een nieuw offensief Parijs op de knieën wist te krijgen, zag het er somber uit. Ludendorff zat te springen om extra troepen en materieel voor het westelijk front maar waar moest hij deze vandaan toveren? De vermaarde tacticus Ludendorff kreeg na enige hersengymnastiek een idee waarbij doelmatigheid voorop stond en ideologische verschillen verdampten. Hij verleende namelijk doodleuk toestemming aan een groep in Zwitserland verblijvende revolutionairen, onder wie Radek en niemand minder dan Lenin om in april 1917 per verzegelde trein in het geheim door Duitsland naar het gistende Petersburg te reizen waar zich in februari een anti-tsaristische burgerlijke revolutie had voltrokken die onder leiding stond van een Voorlopige Regering. De bolsjewieken waren de enigen die de "puur imperialistische oorlog" wensten te beëindigen en in staat werden geacht Rusland terug te trekken uit het bondgenootschap met Engeland en Frankrijk. Ludendorff en Lenin waren elkaars doodsvijanden, maar dat verhinderde hen niet tactisch gebruik van elkaar te maken. Ondanks oppositie uit eigen kring tegen deze "hulp van het imperialistische Duitsland" wist Lenin zijn zin door te zetten. Pierik wijst erop dat behalve het enkeltje Zürich - Petersburg ook flinke geldbedragen vanuit het keizerlijke Duitsland via ondoorzichtige constructies naar de bolsjewistische partijkas vloeiden. Lenin deinsde nergens voor terug als het ging om de macht - niet vóór 1917 en niet erna.
De situatie van de Voorlopige Regering werd in de zomer van 1917 - behalve door interne chaos en revolutionaire woelingen - verder verzwakt nadat het door minister van Oorlog Alexander Kerenski verordonneerde offensief totaal was mislukt. De Russische troepen sloegen op de vlucht.

Via Ost Imperium en Amerikaanse interventie einde Eerste Wereldoorlog met Duitse nederlaag

Na de succesvolle Oktoberrevolutie kwam begin 1918 tussen het keizerlijke Duitsland en de piepjonge Sovjetrepubliek de Siegfrieden van Brest-Litovsk tot stand. Tandenknarsend ondertekenden de bolsjewiki de gigantisch zware eisen die hen nu door het Duitse rijk konden worden opgelegd. Het land verloor meer dan een miljoen vierkante kilometer grondgebied en een kwart van zijn bevolking. Ongeveer 30 procent van het spoorwegnet, 70 procent aan ijzererts en 90 procent aan steenkool ging verloren, evenals duizenden fabrieken en niet te vergeten het kostbare Oekraïense graan.
Na het van kracht worden van het Vredesverdrag van Brest-Litovsk dirigeerde Ludendorff merkwaardig genoeg slechts de helft van de miljoen vrijgekomen troepen en bijbehorend materieel naar het westelijk front. De rest van de manschappen hield hij in het oosten. Dit laatste licht Pierik niet toe. Zij werden niet slechts ingezet om de stabiliteit in de geannexeerde gebieden te waarborgen maar tevens om nog veel meer terrein (landbouw, grondstoffen) aan het Duitse rijk toe te voegen. Terwijl in het vroege voorjaar van 1918 Duitsland met de helft van zijn versterkingen uit het oosten een gigantisch offensief in het westen uitvoerde - en daarbij Parijs zelfs tot op 60 kilometer wist te naderen - marcheerden de oostelijke troepen van 'Ludendorff de Grote' richting Rostov aan de Don, dat in mei 1918 werd bezet. En voorwaarts ging het. In juni volgden Sebastopol (de Krim) en Batoem (Georgië). India (Brits-Indië) stond ook nog op de rol. Waarom werden deze extra troepen niet naar het noodlijdende westelijk front gestuurd en het oosten verder met rust te laten? Zoals gezegd, hoe we ook bladeren, we vinden er niks over in Pieriks biografie.
Het antwoord op deze paradox ligt in Duitslands oeverloze imperiale vraatzucht in het bijzonder te vinden in groot-industriële, chauvinistische en koloniale kring. Ludendorff wilde 'alles'.
Nooit eerder had zo’n reusachtig "Ostimperium" (ter grootte van Argentinië) aan de voeten van het Duitse Rijk gelegen. Voor korte tijd overigens, want in het najaar van 1918, toen de kolossale Amerikaanse troepenmacht het westelijk front aan de noodzakelijke bloedtransfusie had geholpen, was de situatie van het Duitse rijk hopeloos geworden. Na eerdere zenuwaanvallen en inktzwarte depressies viel voor Ludendorff het doek. Behalve de oorlog verloor hij twee van zijn (stief)zonen die waren gesneuveld tijdens luchtgevechten. In oktober werd hij ontslagen door de nieuwe anti-monarchistische, burgerlijke regering van de republiek van Weimar. Maar ’de droom van het Ostraum’ zette zich vast in het Duitse geheugen, op de eerste plaats bij een toen nog onbekende korporaal, Adolf Hitler. Ook met betrekking tot deze cruciale omstandigheid laat Pierik een stilte vallen. Waarom heeft de auteur niet gewezen op de voor de hand liggende analogie met Hitlers aanval op de Sovjet-Unie in 1941? Werd niet hier opnieuw door Erich Ludendorff een 'humuslaag' gelegd voor Hitler en het nationaalsocialisme?

Ontwerper dolkstootlegende na congé

Na zijn congé in de herfst van 1918 nam Ludendorff, dit keer gewapend met zonnebril en aangeplakte baard, de wijk naar Zweden. Dat was wel nodig ook, schrijft Pierik, want de Spartakisten - een kleine uiterst linkse partij - hadden andere plannen met hem. Zijn vrouw voegde zich later bij hem. Amper van de schrik bekomen, begon Ludendorff aldaar in hoog tempo Meine Kriegserinnerungen 1914-1918 op papier te zetten en twee jaar later waren ze te koop in Duitsland. (Uitgeverij Aspekt gaat deze herinneringen naar verluidt in vertaling uitbrengen). Trof hem schuld? Nee, het was het 'verraad in het achterland' van joden en communisten dat Duitsland de das om had gedaan. Pierik stelt dat Ludendorff de voornaamste ontwerper was van deze "dolkstootlegende" en dat Hitler deze omarmde. De voormalige krijgsheer keerde in 1919 heimelijk terug naar de republiek van Weimar waar hij aan de slag ging als coach van de contra’s.
Hij was nauw betrokken bij de het neerslaan van de Duitse revolutie en bij de moord in 1919 op de Spartakisten Rosa Luxemburg en Karl Liebknecht door de Freikorpsen, gewapende eenheden van uit de oorlog teruggekeerde soldaten, vol wrok over de nederlaag en overtuigd van de dolkstootlegende. Pierik noemt wel enkele militaire kopstukken die hierbij direct betrokken waren, zoals Ludwig von Maerker, Paul von Lettow-Vorbeck, Xavier Ritter von Epp en Hermann Ehrhardt, maar veronachtzaamt het feit dat dit koloniale veteranen betrof die gewapend met wrok uit de Duitse kolonie Zuidwest-Afrika (Namibië) waren gezet toen Duitsland de oorlog verloor. Behalve wrok beschikten zij over een bijzondere mentaliteit die zij nu toepasten in Duitsland. Tien jaar voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog hadden zij namelijk 60% van de in opstand gekomen bevolking op keizerlijk bevel uitgeroeid.
Naar het inzicht van Pierik heeft deze 'tegenrevolutie' van 1918-1919 ervoor gezorgd dat de democratie van Weimar behouden bleef en niet ten prooi viel aan de Roden.

Spin in het web van twee mislukte staatsgrepen

Ludendorff wist ook het nodige van de moord op minister van Wederopbouw en Buitenlandse Zaken Walther Rathenau (1922). Deze staatsman was van oordeel dat de zeer zware aan Duitsland gestelde eisen ten gevolge van het Vredesverdrag van Versailles ingelost moesten en ook konden worden. Dat Rathenau als Duitse Jood extra kwetsbaar was behoeft geen betoog. Voorts was Ludendorff de spin in het web bij twee mislukte staatsgrepen: de Kapp-putsch (1920) en Bierkellerputsch die hij samen met de vierentwintig jaar jongere en nog niet zo bekende Adolf Hitler in 1923 pleegde, deels geïnspireerd op Mussolini’s succesvolle mars op Rome het jaar ervoor. Gezien zijn invloed bij beide staatsgrepen is het beter, noteert Pierik, om te spreken van 'de Ludendorff-Putsch I en II'. Via zijn eigen uitgeverij zorgde de gewezen generaal verder voor de verspreiding van het beruchte antisemitische geschrift "De Protocollen van de Wijzen van Zion", noteert Pierik.
In 1924 werd Ludendorff lid van de Rijksdag voor de partij van Hitler, de NSDAP. Na de plotselinge dood van de sociaaldemocratische Rijkspresident Friedrich Ebert in 1925 deed Ludendorff een gooi naar dit ambt. Niet hij echter, maar de ’vaderfiguur’ Hindenburg werd (in een tweede ronde) gekozen. Na de verloren oorlog en mislukte staatsgrepen beet hij met een onbeduidende 1,1 procent van de stemmen opnieuw in het stof.
Vanaf dat moment nam zijn invloed drastisch af terwijl zijn geloof in samenzweringen een groeispurt liet zien. Daaraan was vooral zijn tweede vrouw, de fanatieke dr. Mathilde Kemnitz met wie hij in 1926 in het huwelijk trad, debet. Kort daarvoor was hij gescheiden van Margarethe. Zij publiceerde haar herinneringen met als titel: "Als ich Ludendorff’s Frau war". Zij raakte verslaafd aan morfine en werd door Ludendorff opgeborgen in een inrichting.
Tot 1928 hield hij zijn zetel in de Rijksdag bezet, maar voor het politieke handwerk, zo lezen we, bleek de generaal buiten dienst volslagen ongeschikt.

Papieren front

De laatste tien jaar van zijn leven was Ludendorff te vinden aan het "papieren front", zoals Pierik het fraai uitdrukt. Dat "front" bestond enerzijds uit het - samen met zijn vrouw - massief propageren van een wel zeer occulte vorm van geloofsbelijdenis. Volgens het echtpaar was de christelijk-joodse religie een week en laf importproduct dat het 'Deutschtum' had ondermijnd en het land had beroofd van zijn 'oorspronkelijke Germanengodsdienst' (Wodan cum suis). Een idee dat hij deelde met Heinrich Himmler. Anderzijds bleef Ludendorff zich roeren met militaire geschriften die hij in omloop bracht door middel van zijn eigen uitgeverij. Zo verscheen in 1931 Weltkrieg droht auf deutschen Boden. Hierin gaf hij te kennen dat Duitsland moest vrezen voor een toekomstig offensief van de zijde van de Sovjet-Unie en Turkije. Ook kwam hij terug op de zeer ongunstige geografische ligging van Duitsland en het verraad in 1918 van de 'binnenlandse vijand' die de Entente machten aan de overwinning zouden hebben geholpen. Ludendorffs laatste geschrift uit 1936 droeg de titel Der totale Krieg. Wat er ’mis’ was gegaan in de Grote Oorlog was het gebrek aan "seelische Geschlossenheit" (mentale eenheid van de Duitse ziel) tussen volk en krijgsmacht. De sociaaldemocraten hadden deze aanvankelijke eenheid aan het begin van de oorlog bedreigd, daarna was hun invloed verminderd om in 1918 weer versterkt terug te komen. In een toekomstige 'moderne' oorlog diende hier de grootst mogelijke aandacht aan te worden besteed. Pierik gaat er niet op in maar Hitler moet dit geschrift gelezen hebben want hij hechtte er in zijn oorlog zeer aan dat de Volksgemeinschaft tevreden werd gehouden. Anders dan in 1914-1918 was er onder Hitler amper sprake van oppositie.
In 1937 sterft Ludendorff - anders dan zijn soldaten - vredig in een katholiek hospitaal in München. Hoewel er een zekere rivaliteit had bestaan tussen de dictators Hitler en Ludendorff kreeg hij van het nazi-bewind een pompeuze  staatsbegrafenis. Pierik merkte treffend op dat Ludendorff waarschijnlijk de enige tijdgenoot was voor wie Hitler ontzag had.
Deze omvangrijke biografie levert een schat aan informatie over Ludendorff en de kringen om hem heen. Ook het fotomateriaal is ruimschoots aanwezig. Het mag evenwel duidelijk zijn dat de auteur het ten gevolge van over-identificatie op een aantal punten lelijk heeft laten liggen. En dan hebben we het niet over typefoutjes als "episch centrum" in plaats van epicentrum, "vergoeilijkend" waar vergoelijkend moet staan of "punctionaliteit" als punctualiteit wordt bedoeld.

 

 

Otto van de Haar

 

N.a.v.  Perry Pierik, Erich Ludendorff. Biografie. (2017)

 

In: Civis Mundi, oktober 2018 (# 69)


zondag 14 april 2019

Bloody Sunday in Amritsar


Een eeuw geleden in de Indiase deelstaat Punjab

Bloody Sunday in Amritsar

Otto van de Haar 1


Zondagmiddag 13 april 1919. Nadat de ergste hitte voorbij was, verzamelden zich in Amritsar, hoofdstad van de Indiase deelstaat Punjab, vijftienduizend stedelingen op de grote stoffige binnenplaats ter viering van het nieuwe Voorjaar, een religieus feest. Ook boeren uit aangrenzende districten waren naar Amritsar gereisd.
Punjab, in het Noordwesten van India, was één van de meest politiek bewuste deelstaten. Behalve religieuze gevoelens bestond onder de aanwezigen dan ook flinke onvrede over het repressieve karakter van het Brits koloniale bestuur, met aan het hoofd viceroy (onderkoning) Frederic Chelmsford. Een enkele auteur heeft het Punjab van die dagen omschreven als een groot gevangenenkamp. 2 De noodtoestand was er van kracht en formeel was deze bijeenkomst dan ook 'illegaal'.

Honderden doden

Niet lang nadat de binnenplaats was volgestroomd met de feestvierenden, arriveerde door de smalle toegangspoort kolonel Reginald Dyer met een groep van veertig soldaten uit het Brits-Indiase leger. Zij stelden zich op aan één kant van het plein en op Dyers bevel openden de soldaten zonder waarschuwing en zonder waarneembare emotie het vuur op de vreedzame, ongewapende menigte.
Gedurende tien minuten werden vanaf ongeveer 135 meter afstand 1.650 kogels gelost. Doordat de binnenplaats ommuurd was, was er geen ontkomen aan. Een totale paniek brak uit. Sommigen sprongen uit wanhoop in een put waar ze niet levend uit kwamen. De officiële cijfers spreken van 379 doden. En aan de meer dan 1.000 verspreid liggende gewonden en verminkten mocht op bevel van Dyer pas na 24 uur hulp geboden worden. Vervolgens vertrok de kolonel met zijn peloton zoals hij gekomen was.
Foto Kolonel Reginal Dyer, 1864 – 1927Foto Michael O'Dwyer, 1864 – 1940
Kolonel Reginal Dyer, 1864 - 1927Michael O'Dwyer, 1864 - 1940

'Illegale' bijeenkomst

De aanleiding tot deze massamoord van Britse zijde was de als onterecht ervaren arrestatie en deportatie van twee vooraanstaande leden van het Indian National Congress dat onder leiding van Mahatma Gandhi was uitgegroeid tot de belangrijkste politieke organisatie van het land. Beide heren, Saifuddin Kitchlew en Satya Pal, hadden in de voorafgaande weken verontwaardigde toespraken gehouden over de Rowlatt Act die door het Brits koloniale bestuur in Delhi was verordonneerd. Deze wet hield in dat iedereen kon worden opgepakt en zonder vorm van proces voor onbeperkte duur kon worden vastgehouden. Het was een reactie op de met succes door Gandhi afgekondigde dag van 'vasten en bidden'.
Michael O'Dwyer, de Britse gezagsdrager van de deelstaat Punjab, verklaarde na afloop van het door Reginald Dyer uitgevoerde bloedbad: Your action is correct. Die kwalificatie werd niet door iedereen gedeeld. Op de allereerste plaats niet door de gewone Indiërs, maar ook Londen moest zijn houding opnieuw bepalen, nadat het verbijsterende nieuws niet langer kon worden stilgehouden.
Er werd een Brits-koloniaal onderzoek ingesteld, door de zogenoemde Hunter-commissie die tot de conclusie kwam dat Reginald Dyer een grove fout had begaan, een understatement. Pas nadat het Indian National Congress de eigen onderzoeksbevindingen op tafel legde, zag het Britse Lagerhuis zich gedwongen Reginald Dyer van zijn post te ontheffen. Minister van Zee- en Luchtmacht, Winston Churchill (toen nog geen halfgod), meende dat deze monstrueuze gebeurtenis niets uitstaande had met de Britse manier van zaken doen. Het ging hier volgens hem om een incident dat uniek was in de moderne geschiedenis van het Britse rijk. Reginald Dyer had onnodig veel geweld gebruikt. Maar dat deze massale bijeenkomst in Amritsar 'illegaal' was, werd door Churchill uiteraard niet betwist; er was immers een noodtoestand van kracht. Op geen enkele wijze stond voor hem het Britse Imperium ter discussie.

Wraak

Het Britse Hogerhuis koos een andere manier om het Imperium te redden. Het zuiverde Reginald Dyer van alle blaam en stelde hem een pensioen ter beschikking. Dit ging een groep Britten in India (en ook Indiërs uit de elite) nog niet ver genoeg. Zij organiseerden een grote inzamelingsactie die 250.000 pond (huidige koers) opleverde die Dyer samen met een 'erezwaard' in ontvangst mocht nemen. De bekende Nobelprijswinnaar voor Literatuur Rudyard Kipling, de lievelingsdichter van Winston Churchill, omschreef Reginald Dyer als De man die India had gered.
De families van de vermoorden werd in een later stadium 1.450 pond (huidige koers) per slachtoffer verstrekt. O'Dwyer, de hoofdverantwoordelijke gezagsdrager van de deelstaat Punjab en baas van Dyer, zou twintig jaar later op fatale wijze met zijn verleden geconfronteerd worden. In 1940 werd hij in de Britse hoofdstad door de Indiase nationalist Udham Singh geliquideerd. Op de laatste dag van het proces kwam de aangeklaagde tot een bondig slotwoord:
[O'Dwyer] verdiende het (...) Hij wilde de geest van mijn volk kapot maken, daarom heb ik hem kapot gemaakt. 21 jaar lang heb ik gepoogd wraak te nemen. Ik ben blij dat ik de klus geklaard heb. Bang voor de dood ben ik niet. Ik sterf voor mijn land. Ik heb in India mijn volk zien sterven onder Britse heerschappij. Bestaat er een grotere eer dan te sterven voor mijn moederland?
Singhs leven eindigde in hetzelfde jaar aan een Britse galg.
Afbeelding Udham Singh, 1899 - 1940Foto Rabindranath Tagore, 1861 - 1941Foto Mahatma Gandhi, 1869 - 1948
Udham Singh, 1899 - 1940Rabindranath Tagore, 1861 - 1941Mahatma Gandhi, 1869 - 1948

Keerpunt

De slachting van Amritsar, nu een eeuw geleden, bracht een waterscheiding teweeg tussen Indiërs en Britten. De beroemde romanschrijver en dichter Rabindranath Tagore - de Indiase tegenvoeter van Rudyard Kipling - die eveneens de Nobelprijs voor Letterkunde was toegekend, was vóór 1919 ambivalent geweest over de voor- en nadelen van het Britse bestuur. Na 'Amritsar' was van twijfel niets meer over. Hij, en anderen met hem, stuurde zijn onderscheiding (badge of honour’) naar onderkoning Chelmsford retour met een begeleidend schrijven:
Het minste dat ik voor mijn land kan doen, is alle consequenties aanvaarden door een stem te geven aan het miljoenen-protest van mijn landgenoten (...) ik wil, zonder speciale onderscheidingen, aan de zijde staan van hen die vanwege hun zogenaamde onbeduidendheid, blootgesteld worden aan vernederende ontberingen die niet voor menselijke wezens zijn bestemd.
Ook voor Gandhi, die toen nog geen iconen-status bezat, betekende het bloedbad van Amritsar een keerpunt of zoals de Britten het zeggen: a point of no return. Met zijn niet-gewelddadige strategie zou hij een dimensie toevoegen aan de onafhankelijkheidsstrijd.

1Literatuur:
Shashi Tharoor, Inglorious Empire. What the British did to India, 2016.
Andrew Roberts, Churchill. Walking withe destiny, 2018, met name pp. 272-273. (terug)
2
Tariq Ali, De Nehru's & De Gandhi's. India in de greep van een dynastie. Met een voorwoord van Salman Rushdie, 1985, p. 43. (terug)

In: Solidariteit, 14 april 2019

https://www.solidariteit.nl/extra/2019/bloody_sunday_in_amritsar.html

donderdag 1 februari 2018

De dubbele moraal van Alexis de Tocqueville (1805 - 1859)

https://www.historischnieuwsblad.nl/nl/artikel/48843/de-dubbele-moraal-van-alexis-de-tocqueville-1805-1859.html




De dubbele moraal van Alexis de Tocqueville

Terreur is toegestaan



De liberale denker Alexis de Tocqueville staat bekend als pleitbezorger van de democratie. Maar dan wel voor christenen. Met de moslims in Algerije had hij minder consideratie. Tegenover hen vond hij massale terreur gerechtvaardigd.
De Franse Revolutie van 1789 bracht met veel geweld de scheiding tussen Kerk en Staat tot stand en brak de macht van de oude aristocratie. De hoogadellijke ouders van jurist en socioloog Alexis de Tocqueville overleefden de gebeurtenissen op het nippertje en zijn overgrootvader eindigde zelfs op het schavot. Tocqueville zou zich er zijn hele leven van bewust zijn.

Het nieuwe regime van koning Louis-Philippe (1830-1848), die een republikeinse achtergrond had, kon hem als voormalig aristocraat maar matig bekoren. Toch was hij bereid te accepteren dat de democratie de toekomst had. De vraag was alleen: wat voor toekomst? Of, zoals hij zelf schreef: ‘Wat mogen we hopen en wat moeten we vrezen?’ Om die vraag goed te kunnen beantwoorden, besloot hij samen met Gustave de Beaumont, met wie hij rechten had gestudeerd, de democratie aan een nader onderzoek te onderwerpen, en wel in Amerika. In dat land had de democratie zich namelijk met minder bloedvergieten ontwikkeld dan in Frankrijk - dat kwam onder meer doordat het geen machtige aristocratie en invloedrijke kerk kende. Tocqueville verwachtte er een blik in de toekomst van zijn eigen land te kunnen werpen. In 1831 stapten beide heren de loopplank op van zeilschip Le Havre en begonnen op eigen kosten met de reis.

Tekst loopt door onder de afbeelding.

Alexis de Tocqueville en zijn hoogadelijke vader Hervé (rechts).

Aangekomen in de Nieuwe Wereld - met een bevolking van amper 13 miljoen - liepen ze gedurende negen maanden bibliotheken, archieven en drukbezochte lokale bijeenkomsten af en onderhielden ze zich met mensen van allerlei slag en uit alle windstreken.

Lovende reacties

Het was geen toeval dat Beaumont vooral de gesprekken voor zijn rekening nam en dat Tocqueville aantekeningen maakte, want soepel in de omgang was hij niet. Ook later, toen hij in de jaren 1840 zitting had in het Franse parlement, hield hij zich liefst wat afzijdig en kon hij maar moeilijk overweg met burgerlijke lieden ‘van mindere komaf’. Daarbij vond hij zichzelf een middelmatig spreker. Schrijven ging hem beter af. De weerslag van het onderzoek, Over de democratie in Amerika, verscheen in 1835. Het boek bevatte een grondige ontleding van de aard en de werking van de democratie. Een tweede deel volgde vijf jaar later. De publicatie was direct een groot succes, ook internationaal. In Groot-Brittannië bijvoorbeeld schreef zijn liberale vriend John Stuart Mill een lovende recensie.

In Amerika, zo betoogde Tocqueville, bestond op lokaal niveau een levendige debatcultuur. Het land had een decentrale staatsvorm als tegenwicht tegen een oppermachtige overheid. Een bloeiend christelijk geloof vormde er het cement van de samenleving.

Maar hij voorzag ook grote gevaren voor de democratie: de groeiende gelijkheid kon leiden tot een nivellerende tendens, de tirannie van de meerderheid en mogelijk geweld van een in het nauw gebrachte minderheid. De vrijheid - een kernbegrip in zijn liberale denken - zou weleens aan het kortste eind kunnen trekken.

Tekst loopt verder onder de afbeelding.

Zicht op Algiers in 1816. Tocqueville is verrukt van de schoonheid van Afrika.

Tocqueville had niet alleen grote belangstelling voor Amerika. Italië, Sicilië, Duitsland en Zwitserland bezocht hij ook. En meer dan eens zijn geliefde Groot-Brittannië. Hij wilde zelfs naar de Britse kolonie India gaan voor onderzoek, maar vanwege zijn zwakke gezondheid ging dit ambitieuze plan niet door.

Het land dat hem naast Amerika het meest bezighield was Algerije. Hij wist er al het nodige van via zijn vriend Louis de Kergorlay, die in de jaren 1830 als officier bij de kolonisatie van de kuststreek betrokken was. Beiden overwogen zelfs om zich er als kolonisten te vestigen, maar ook dit plan ketste af op Tocquevilles kwakkelende gestel.

De invloed van Mohammed is eerder schadelijk dan heilzaam
Wel doorkruiste Tocqueville als Algerije-expert van het Franse parlement het land twee keer, in 1841 en in 1846. Voorafgaand hieraan maakte hij studie van het voormalige Ottomaanse bestuur, de cultuur, de geografie, de bevolkingssamenstelling en de Koran. Tocqueville oordeelde dat de Koran net als het christendom verbonden was met de ideeën uit het Oude Testament en zich presenteerde als de voortzetting ervan. ‘Op elke bladzijde kom je Mozes tegen,’ schreef hij in 1837. De Koran was volgens hem ‘concreet’ waar het de strijd betrof, maar ‘vaag’ op het gebied van de moraal. Al was de Heilige Schrift wel duidelijk over hulp aan reizigers en aan armen.

Despotisme

Een groot probleem in de Ottomaanse wereld was volgens hem het ontbreken van de scheiding tussen Kerk en Staat, want daaruit vloeide het despotisme voort. Dat deze ‘scheiding’ in het Westen mede te danken was aan de vermaledijde Franse Revolutie, daarop reflecteerde hij niet. In een brief aan een vriend constateerde hij: ‘Mohammed heeft een enorme invloed op de mensheid uitgeoefend, waarvan ik denk dat deze, alles bij elkaar genomen, eerder schadelijk dan heilzaam was.’

Tekst loopt verder onder de afbeelding.

Fransen bestormen Constantine in Noord-Algerije in 1837. Geschilderd door Eugène Flandin.

Toen Tocqueville samen met zijn broer Hippolyte en wederom Gustave de Beaumont in 1841 vanuit Toulon de overtocht begon, nam Frankrijk niet meer alleen genoegen met de Algerijnse kuststreek. Het was bezig ook het binnenland economisch en militair te onderwerpen.

Spotprijs

Na een tussenstop op het eiland Menorca naderden ze vroeg in de ochtend de Algerijnse kust, die nog in mist gehuld was. Het deed Tocqueville denken aan de mist van Normandië. Totdat de zon voor opklaring zorgde en ‘het echte Afrika tevoorschijn kwam’. Hij was verrukt van de schoonheid van het land en vergeleek sommige streken met Sicilië en de Elzas. Het leek wel het beloofde land, ‘ware het niet dat je het moet bebouwen met het geweer op je rug’.

Er vonden oriënterende gesprekken plaats met hoge militairen als Thomas-Robert Bugeaud, met koloniale bestuursambtenaren en met de bisschop van Algiers.

De grond, schreef Tocqueville in een nota, moest door Frankrijk voor een spotprijs worden opgekocht of gedwongen onteigend. Voorts diende de infrastructuur te worden verbeterd en de bouw van militaire verdedigingswerken en trainingskampen ter hand genomen. Algerije zou een ‘tweede editie’ van het vaderland moeten worden met kerken, priesters, christelijke scholen en volkshuizen, ‘ter wille van de Franse grandeur’

Tekst loopt door onder de afbeelding.

Abd el-Kader leidt jarenlang met succes een guerrillabeweging tegen de Fransen



Er zouden twee aparte vormen van wetgeving moeten komen: een voor de Fransen en een voor de tweederangs inheemsen. De succesvolle verovering van India door Groot-Brittannië vormde voor Tocqueville een lichtend voorbeeld.

Frankrijk kreeg te maken met hevig verzet van de autochtone bevolking. Een guerrillabeweging onder aanvoering van emir Abd el-Kader wist de kolonisten tot in de tweede helft van de jaren 1840 het hoofd te bieden. Tocqueville erkende dat de kolonisten met de grondonteigening het bloed onder de nagels van de inheemse inwoners vandaan haalden. Toch keurde hij het meedogenloze beleid van de Franse gouverneur-generaal Bugeaud goed.

"We houden hen gevangen tussen onze bajonetten en de woestijn" (Tocqueville)
Een grote legermacht moest de Arabier doen beseffen dat niemand Frankrijks positie kon aantasten, vond hij. Mobiele korpsen dienden af te rekenen met de opstandige ‘Algerijnse stammen’. Abd el-Kader moest zo snel mogelijk uit de weg worden geruimd voordat diens invloed zich verder uitbreidde. Tot ergernis van Tocqueville verschool de guerrillaleider - die met zijn hit-and-run-acties zo hard mogelijk terugsloeg - zich achter de godsdienst: ‘met de Koran in de hand.’

Razzia's

In Over de democratie in Amerika zag Tocqueville godsdienst als het cement van de samenleving, maar in Algerije niet, omdat de bewoners niet christelijk waren en dus - in zijn wereldbeeld - niet ‘progressief’. Hij was ervoor hun oogsten te verbranden, silo's leeg te roven, razzia’s te houden, ongewapende mannen, vrouwen en kinderen gevangen te nemen, het vee in beslag te nemen en vijandelijke ‘kampongs’ met de grond gelijk te maken. ‘Ze krijgen het zwaar te verduren als we hen gevangenhouden tussen onze bajonetten en de woestijn.’ Een Franse generaal legitimeerde dergelijke acties door te verwijzen naar het Bijbelboek Jozua, waarin God immers ook de verschrikkelijkste razzia’s had gezegend.


Een pagina uit het manuscript van Over de democratie in Amerika van Tocqueville

'Christenbarbaren'

Om de tegenstand te breken moest volgens Tocqueville de verdeeldheid tussen de autochtone vorsten door omkoping aangewakkerd worden en een verbod worden ingevoerd om handel te drijven. Zo’n verbod veroorzaakte immers de ‘grootst mogelijke schade die wij de inheemse bevolking kunnen toebrengen’. Toen in Frankrijk bekend werd dat honderden Arabieren die hun toevlucht hadden gezocht in grotten door verstikking om het leven waren gebracht door Franse militairen, zweeg Tocqueville.

Hij waarschuwde er wel voor dat de Fransen niet ‘op Turkse wijze’ moesten optreden – dat wil zeggen, ‘dood alles wat je tegenkomt’. Dat zou namelijk contraproductief werken. Want ook al was het optreden van de Ottomaanse Turken destijds barbaars, schreef hij, zij waren in de ogen van de Algerijnen altijd nog ‘moslimbarbaren’; als ‘christenbarbaren’ zouden de Fransen zich extra gehaat maken.

In 1847 zitter er al 100.000 Fransen in Algerije
Naar critici in Frankrijk luisterde Tocqueville niet: in een oorlog met Arabieren ontkwam je ‘helaas’ niet aan dergelijke methodes. Het was waar dat ook de Britten het nodige te stellen hadden met revoltes in India, meende hij, maar die opstanden vielen in het niet bij de vechtlust van de Arabieren.

Op de knieën

Na afloop van zijn tweede reis sloeg Tocqueville in zijn rapportage uit 1847 een gematigder toon aan. Dat was logisch, want het verzet was – zij het niet overal – op de knieën gebracht. Sinds het begin van de Franse kolonisatie was zowel het aantal militairen als het aantal kolonisten vervijfvoudigd tot ruim 100.000. Hij constateerde dan ook dat er een ‘beschaafde en christelijke maatschappij was gesticht’. Op sommige secundaire bestuursposten mochten de Algerijnen zelfs meebesturen. Trots noteerde Tocqueville dat ‘uit respect voor hun geloof’ op enkele plekken eerder moskeeën dan kerken gebouwd werden. Maar hij bleef toch voorzichtig. Als Frankrijk er niet in zou slagen ‘un bon gouvernement’ te realiseren, lag een verschrikkelijke slachting in het verschiet. Dat het koloniale project met zijn nationalistische grandeur hieraan ten grondslag lag, kon of wilde de liberale theoreticus niet inzien.

Otto van de Haar is historicus en publicist.


Meer weten:
Alexis de Tocqueville. Writings on Empire and Slavery (2001) Redactie en vertaling Jennifer Pitts.
Modern Algeria. A History from 1830 to the Present (1991) door Charles-Robert Ageron.
Tocqueville et la doctrine coloniale (1988) door Tzvetan Todorov.
In: Historisch Nieuwsblad, februari 2018